Verzoeker sloot in 2011 een financial leaseovereenkomst met BMW, waarbij vanaf 2013 een betalingsachterstand ontstond. BMW meldde deze achterstand bij de Stichting BKR en registreerde deze in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI). Verzoeker betaalde de vordering volledig terug in 2016, maar de registratie bleef gehandhaafd.
In eerste aanleg verzocht verzoeker om verwijdering van de BKR-registratie, wat door de rechtbank werd afgewezen met het argument dat het belang van handhaving zwaarder woog dan het persoonlijke belang van verzoeker. Verzoeker ging in hoger beroep en stelde dat hij door de registratie geen hypotheek kan verkrijgen, terwijl hij zijn huurwoning wil kopen.
BMW voerde in hoger beroep geen verweer meer en erkende impliciet dat er geen dwingende gerechtvaardigde gronden zijn om de registratie te handhaven. Het hof oordeelde dat verzoeker op grond van zijn specifieke situatie belang heeft bij verwijdering en dat BMW onvoldoende tegenargumenten aanvoert.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank, veroordeelde BMW tot verwijdering van de registratie binnen vijf werkdagen en wees proceskosten toe aan verzoeker. Een dwangsom werd niet opgelegd omdat BMW bereid is medewerking te verlenen.