Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 4 mei 2022
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een belasting- en organisatieadviesbureau, vorderde teruggaaf van voorbelasting over het eerste kwartaal van 2018, met betrekking tot twee facturen voor het vervaardigen van een schetsontwerp voor een bouwproject. De Inspecteur weigerde deze aftrek omdat niet was aangetoond dat de kosten voor belaste handelingen waren gemaakt. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de vraag of de kosten een zakelijk karakter hadden en of de voorbelasting terecht was geweigerd. Uit de intentieverklaring en facturen bleek dat het ging om een schetsontwerp voorafgaand aan een aannemingsovereenkomst, zonder dat aannemelijk was gemaakt dat het ontwerp daadwerkelijk was gemaakt of dat het diende voor belaste handelingen binnen de onderneming van belanghebbende.
Belanghebbende kon ondanks meerdere verzoeken geen objectief bewijs aanleveren, zoals het schetsontwerp zelf, om haar standpunt te ondersteunen. Het hof oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende lag en dat zij deze niet had voldaan. Ook werd geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van voorbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.