Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een beschikking op verzoek om teruggaaf van omzetbelasting en een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari tot en met 31 maart 2018 heeft behandeld.
Tijdens de procedure is gebleken dat een of meer raadsheren van het hof niet correct waren beëdigd, waarop partijen gelegenheid kregen te reageren. Belanghebbende diende een aanvulling op het cassatieberoep in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat deze na de gestelde termijn was ingediend.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet nodig is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is uitgesproken op 1 december 2023 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het arrest van het Gerechtshof Den Haag.