Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 12 mei 2022
[verzoeker],
hierna te noemen: [verzoeker],
Gerechtshof Den Haag
Verzoeker kwam in verzet tegen de vaststelling van het griffierecht in hoger beroep, stellende dat het hoger beroep zich beperkte tot verklaringen voor recht en dat de oorspronkelijke schadevergoedingseis was vervallen. Hij betoogde dat het griffierecht onterecht was berekend op basis van de oorspronkelijke vordering van meer dan €403.000.
Het hof overwoog dat het griffierecht in beginsel wordt berekend aan de hand van de vordering waarover de rechter in eerste aanleg moest beslissen, tenzij het hoger beroep zich beperkt tot een deel van die vordering. In dit geval vorderde verzoeker in hoger beroep nog steeds een verklaring voor recht omtrent de inkomens- en pensioenschade over een bepaalbare periode, waarbij rekening wordt gehouden met gegenereerde en nog te genereren inkomsten.
Het hof concludeerde dat deze eiswijziging niet neerkomt op een vermindering van de vordering tot een bedrag van €100.000 of minder. De vordering is deels van bepaalde en deels van onbepaalde waarde, maar voor het griffierecht dient te worden uitgegaan van het deel van bepaalde waarde, dat nog steeds boven de €100.000 ligt. Het verzet is daarom ongegrond verklaard.
Het hof wees ook op het ontbreken van een hardheidsclausule in de Wet griffierechten burgerlijke zaken, waardoor geen rekening kan worden gehouden met de duur van de procedure of de daardoor ontstane kostenverhoging. De beschikking is uitgesproken op 12 mei 2022 door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het verzet tegen de vaststelling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard en het griffierecht blijft ongewijzigd.