Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2018 en 2019, maar de Inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De Rechtbank bevestigde deze beslissing. In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij de aanslagen pas later had ontvangen, waardoor de termijn voor bezwaar nog niet was verstreken.
Het Hof onderzocht de verzending van de aanslagen aan belanghebbende. Voor de aanslag 2018 bleek aannemelijk dat deze tijdig was verzonden en belanghebbende was reeds in 2019 bekend met de aanslag, onder meer door een betalingsregeling. Het bezwaar tegen de aanslag 2018 was daarom terecht niet-ontvankelijk.
Voor de aanslag 2019 kon de Inspecteur niet aannemelijk maken aan welk postvervoerbedrijf de aanslag was aangeboden, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de aanslag tijdig was verzonden. Belanghebbende kreeg de aanslag pas op 17 september 2020 onder ogen, waardoor het bezwaar tijdig was ingediend. Het Hof vernietigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de aanslag 2019 en behandelde de zaak inhoudelijk, waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd op 5 oktober 2022 in het openbaar uitgesproken.