Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 11 januari 2022
[vader],
[moeder],
Gerechtshof Den Haag
De ouders verhuurden een woning aan hun dochter voor de duur van één jaar met de mogelijkheid tot verlenging voor onbepaalde tijd bij uitblijven van opzegging. Zij zegden de huurovereenkomst op met het oog op dringend eigen gebruik, omdat zij wilden terugkeren naar Nederland en de woning zelf gebruiken. De dochter betwistte de opzegging en stelde dat zij geen passende alternatieve woonruimte kon vinden.
De kantonrechter wees de vordering van de ouders af en oordeelde dat de huurovereenkomst was verlengd voor onbepaalde tijd, mede omdat de ouders niet tijdig aanzegden conform artikel 7:271 lid 1 BW Pro. Het hof bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de afwijking in de huurovereenkomst ten gunste van de huurder is en dat de wettelijke aanzegtermijn niet was nageleefd.
Verder oordeelde het hof dat de ouders onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij de woning dringend nodig hadden voor eigen gebruik, mede gezien de belangen van de dochter en haar kinderen die geen passende woonruimte konden vinden. De door de ouders aangevoerde onvoorziene omstandigheden door de coronacrisis waren geen grond voor ontbinding of wijziging van de huurovereenkomst.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst af.