Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
1 januari 2019 een kinderalimentatie voldoet van € 257,- per maand per kind en vanaf
1 augustus 2019 de helft van de kosten van kinderopvang voldoet, waarbij de kinderopvangtoeslag ook bij helfte wordt gedeeld.
4.De omvang van het geschil
€ 8.256,-;
€ 940.000,-, en daarbij te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 65.380,-;
het hof begrijpt: beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, aan de man te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren;
€ 8.256,-;
€ 940.000,-, en daarbij te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 65.380,-;
€ 8.246,-;
€ 940.000,- en daarbij te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 65.380,-;
€ 10.401,0 en haar daartoe te veroordelen om dit bedrag binnen 8 dagen na beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, aan de man te voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren;
het hof begrijpt: voor zover het de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime betreft, met uitzondering van hetgeen ten aanzien van de inboedel is bepaald,en te bepalen dat de man aanvullend aan haar dient te betalen een bedrag van € 172.146,-, dan wel zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;
€ 20.000,- dient te betalen of zoveel meer of minder als uit de door het hof te gelasten officiële taxatie volgt.
voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof vaststelt dat partijen naar Iraans recht zijn gehuwd onder het maken van huwelijks voorwaarden en ten gevolge daarvan het tussen partijen gelden huwelijksvermogensregime niet is gewijzigd:
het hof begrijpt: de aanvulling ophet incidenteel appel van de vrouw af te wijzen en verzoekt het hof in aanvulling op zijn principaal appel de volgende aanvullende (voorwaardelijke) verzoeken toe te wijzen:
5.De motivering van de beslissing
voor zovertoepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Dit betekent dat art. 10:6 BW Pro geen integrale afwijzing van het vreemde recht beoogt, maar alleen die onderdelen van het vreemde recht treft die kennelijk onverenigbaar zijn met de openbare orde.