Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 26 januari 2022
de erven [X] te [Z] , belanghebbenden,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Hof] zusters van [erflaatster];
Gerechtshof Den Haag
De erflaatster heeft haar woning verkocht aan een door haar broer opgerichte stichting, die volgens de wetgeving kwalificeert als een afgezonderd particulier vermogen (APV). De Inspecteur rekende de woning en de huuropbrengsten toe aan de erflaatster en belastte deze als inkomen uit werk en woning. Belanghebbenden stelden dat de stichting niet als APV moet worden aangemerkt en dat de woning niet als eigen woning kwalificeert.
De Rechtbank oordeelde dat de stichting een APV is omdat zij meer dan bijkomstig particuliere belangen van de erflaatster en haar familie behartigt. De woning blijft op grond van de toerekening van artikel 2.14a Wet IB 2001 bij de erflaatster horen, waardoor de eigenwoningregeling van toepassing blijft. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af.
Het hof benadrukt dat de stichting feitelijk de belangen van de familie behartigt, onder meer door het financieren van studies en het uitlenen van gelden aan familiebedrijven. De toerekeningsstop is niet van toepassing omdat de stichting niet aan de reële-heffingstoets voldoet. De woning kwalificeert tot mei 2016 als eigen woning van de erflaatster, waarna de eigenwoningregeling nog twee jaar doorloopt vanwege opname in een zorginstelling.
De Inspecteur heeft terecht 70% van de huuropbrengsten belast als voordelen uit het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning. De belastingrente is eveneens correct toegepast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.