ECLI:NL:HR:2022:1559
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale toerekening eigen woning binnen afgezonderd particulier vermogen
De zaak betreft een cassatieberoep van de erfgenamen van een overleden vrouw tegen de Staatssecretaris van Financiën inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2016.
De erflaatster had haar woning verkocht aan een door haar broer opgerichte stichting, die als afgezonderd particulier vermogen werd aangemerkt. De woning werd vervolgens door de stichting verhuurd aan de erflaatster en derden. De Inspecteur rekende de woning en de huurinkomsten toe aan de erflaatster en kwalificeerde de woning als eigen woning in de zin van de Wet IB 2001.
Het Hof oordeelde dat de stichting terecht als afgezonderd particulier vermogen was aangemerkt en dat de woning ondanks de verkoop aan de stichting voor de belastingheffing als eigen woning bij de erflaatster bleef behoren. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af dat stelt dat de woning niet langer als eigen woning bij de erflaatster kan worden betrokken omdat zij geen eigenaar meer is.
De Hoge Raad overweegt dat de wetgever met artikel 2.14a Wet IB 2001 beoogt dat vermogensbestanddelen binnen een afgezonderd particulier vermogen dezelfde fiscale behandeling krijgen als vermogensbestanddelen die niet zijn afgezonderd. Hierdoor blijft de inbrenger geacht de vermogensbestanddelen te bezitten. De overige klachten van het cassatieberoep worden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de woning blijft voor de inkomstenbelasting als eigen woning bij de erflaatster behoren.