In deze zaak betreft het een geschil tussen ouders over het gezag en verblijfplaats van hun minderjarige kinderen, waarbij de rechtbank zich internationaal bevoegd heeft verklaard en de inhoudelijke behandeling heeft aangehouden vanwege cross-border mediation.
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen deze tussenbeschikking, met name tegen de internationale bevoegdheidsverklaring van de Nederlandse rechter en de afwijzing van voorlopige voorzieningen. Het hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk is omdat het hoger beroep door de moeder is ingetrokken.
Ten aanzien van de hoofdzaak overweegt het hof dat de moeder tijdig hoger beroep heeft ingesteld, maar dat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft waartegen geen tussentijds hoger beroep openstaat. Het hof houdt daarom de procedure aan om partijen de gelegenheid te geven de rechtbank te verzoeken alsnog tussentijds hoger beroep toe te staan.
De procedure wordt aangehouden tot 25 februari 2023, waarna partijen het hof informeren over het verzoek aan de rechtbank en de verdere voortgang. De beslissing over het gezag en verblijfplaats van de minderjarigen blijft aangehouden.