ECLI:NL:GHDHA:2022:2637
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep inzake WOZ-waarde en proceskostenvergoeding woning Den Haag
Belanghebbende, eigenaar van een woning in Den Haag, betwistte de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2020. Na een beschikking van de Heffingsambtenaar en een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarden, stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
In hoger beroep stond centraal of belanghebbende ontvankelijk was en of de Heffingsambtenaar in de bezwaarfase alle relevante stukken had verstrekt. Het Hof oordeelde dat de volmacht aan de gemachtigde rechtsgeldig was en dat belanghebbende een voldoende belang had bij het hoger beroep, ook al was de waarde van de woning niet langer in geschil. De werkafspraken tussen de gemachtigde en de Heffingsambtenaar leidden ertoe dat er geen fysieke hoorzitting werd gehouden en dat het inzagerecht aan de hoorzitting was gekoppeld, waardoor geen schending van artikel 7:4 Awb Pro was.
Verder stelde het Hof vast dat de Heffingsambtenaar het taxatieverslag tijdig had verstrekt en dat andere gevraagde stukken niet aannemelijk waren gemaakt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.