Deze zaak betreft een geschil tussen appellant en geïntimeerde over de vergoeding van herstelkosten van een printer en schadevergoeding wegens het niet kunnen gebruiken van deze printer gedurende een bepaalde periode. Tevens stond ter beoordeling of appellant gehouden was de opbrengst van de verkoop van een andere printer aan geïntimeerde te voldoen.
Appellant had zijn printer in bruikleen gegeven aan geïntimeerde in het kader van een arbeidsrelatie en vorderde vergoeding voor herstelkosten en schadevergoeding. Geïntimeerde betwistte aansprakelijkheid en stelde een retentierecht op de printer. De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af en veroordeelde hem tot betaling van een bedrag aan geïntimeerde.
In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat geïntimeerde zijn zorgplicht had geschonden en dat de bruikleenovereenkomst voor drie jaar was aangegaan, waardoor geïntimeerde niet tekort was geschoten in de teruggave. Ook het verweer van appellant dat de opbrengst van de andere printer was geschonken werd verworpen vanwege onvoldoende bewijs. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant veroordeeld in de proceskosten.