ECLI:NL:GHDHA:2022:2691
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over huur parkeerplaatsen geen huur gebouwde onroerende zaak
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomsten voor twee parkeerplaatsen als huur van gebouwde onroerende zaken in de zin van artikel 7:230a BW konden worden aangemerkt. Appellant stelde zich hiertegen, maar het hof volgde de kantonrechter die de vordering van Trivire tot ontruiming en betaling van proceskosten had toegewezen.
De procedure vond plaats volgens de Second Opinion-regeling, waarbij partijen instemden met een versnelde behandeling en het hof de zaak beoordeelde op basis van de stukken uit eerste aanleg. Het hof nam de overwegingen van de kantonrechter over en voegde toe dat de parkeerplaatsen onderdeks zijn en dat de muren en vloeren van het bovenliggende gebouw geen wezenlijk onderdeel van het gehuurde vormen.
Het hof oordeelde dat de huurovereenkomsten geen betrekking hebben op gebouwde onroerende zaken zoals bedoeld in de wet, en bekrachtigde de eerdere vonnissen. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die beperkt werden tot het griffierecht en een punt advocaatkosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontruiming van de parkeerplaatsen en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.