Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
1.Het verdere verloop van het geding
2.Verdere beoordeling
3.3. De beslissing
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of geïntimeerde recht had op achterstallig salaris over de periode van 1 februari 2012 tot 1 februari 2013, en vanaf wanneer zijn dienstverband bij de vennootschap onder firma aanving. Het hof bevestigde dat geïntimeerde tot 1 februari 2013 in dienst was, maar verwierp zijn bewijslevering dat het dienstverband al op 1 augustus 2011 zou zijn begonnen, omdat hij niet aan de bewijsopdracht had voldaan.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het betrekking had op de loonschuld en stelde vast dat appellant aan geïntimeerde een bruto bedrag van €43.743,59 verschuldigd was, verminderd met reeds betaalde netto bedragen van €25.858,56, resulterend in een netto saldo van €17.885,03. Dit bedrag wordt verhoogd met een wettelijke verhoging van maximaal 10% en de wettelijke rente vanaf 16 december 2016.
Daarnaast wees het hof buitengerechtelijke incassokosten toe van €180 exclusief BTW. De proceskosten in eerste aanleg werden gecompenseerd, terwijl geïntimeerde werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 22 maart 2022 door het Gerechtshof Den Haag, waarbij het vonnis van de kantonrechter gedeeltelijk werd vernietigd en opnieuw werd beslist.
Uitkomst: Appellant moet aan geïntimeerde het netto saldo van €17.885,03 plus wettelijke verhoging, rente en incassokosten betalen.