Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 1 juni 2023
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, eigenaar van een appartement uit 2016, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €378.000 voor het jaar 2020. De Heffingsambtenaar gebruikte een waardematrix met vergelijkingsobjecten uit hetzelfde complex en bouwjaar, waarbij rekening werd gehouden met verschillen in oppervlakte, ligging en voorzieningen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de Heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken had toegezonden en dat de hoorplicht was geschonden. Ook voerde hij aan dat de waarde te hoog was vastgesteld vanwege verschillen in inhoud, overlast en staat van vergelijkingsobjecten. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar had voldaan aan zijn verplichtingen volgens de Awb en Wet WOZ, dat inzage en afschriftverlening correct waren geregeld, en dat de hoorplicht niet was geschonden.
De waardematrix en aanvullende vergelijkingsobjecten maakten aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Belanghebbende had onvoldoende feiten gesteld om het tegendeel te bewijzen. Het Hof bevestigde het oordeel van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €378.000 wordt bevestigd.