ECLI:NL:GHDHA:2023:1128
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer in hoger beroep bodemprocedure ACM
In deze zaak dienden verzoekers een wrakingsverzoek in tegen raadsheer Glazener, die deel uitmaakt van de combinatie die de bodemprocedure in hoger beroep behandelt tussen verzoekers en de Staat der Nederlanden (ACM).
Verzoekers stelden dat de raadsheer niet onpartijdig kon zijn vanwege eerdere betrokkenheid bij een kortgedingprocedure waarin hij als voorzitter optrad en waarin volgens verzoekers al een vooringenomen oordeel was gevormd. Zij voerden aan dat de houding en uitlatingen van de raadsheer tijdens de pleidooizitting in het kort geding een nare bijsmaak gaven en dat de rechterlijke onpartijdigheid daardoor geschaad zou zijn.
De wrakingskamer onderzocht de feiten, waaronder het concept-proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke stukken, en concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid of schijn daarvan. De eerdere uitspraak in het kort geding betrof geen inhoudelijke beantwoording van de rechtsvragen die in de bodemprocedure aan de orde zijn. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag en uitgesproken op 9 juni 2023.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer Glazener wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.