Milano Infra B.V. en [verweerder], familie van elkaar, hadden een arbeidsovereenkomst gevolgd door een overeenkomst van opdracht. Milano vordert terugbetaling van studiekosten, leningen en een gokschuld na beëindiging van de relatie. De kantonrechter wees de vorderingen van Milano af, behalve een deel van de vordering van [verweerder].
In hoger beroep stelde Milano dat zij studiekosten had gemaakt die door [verweerder] terugbetaald moesten worden. Het hof oordeelde dat het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst niet van toepassing was na omzetting naar een overeenkomst van opdracht, maar dat de studieovereenkomst geldig was. Milano toonde voldoende bewijs van studiekosten ter hoogte van €11.581,97, die [verweerder] moest vergoeden met wettelijke rente vanaf 23 september 2019.
De vorderingen van Milano tot terugbetaling van leningen en een gokschuld werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Ook de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen. [verweerder] kon geen beroep doen op nietigheid of vernietiging van de studiekostenbedingen. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, maar [verweerder] werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep.