ECLI:NL:GHDHA:2023:1153
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag en afwijzing netwerkplaatsing bij grootmoeder
In deze civiele familierechtelijke zaak is het hoger beroep van de moeder tegen de beëindiging van haar ouderlijk gezag over haar twee minderjarige kinderen behandeld. De moeder verzocht tevens om netwerkplaatsing van de minderjarigen bij de grootmoeder, wat door het hof niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het appelverbod.
De rechtbank Rotterdam had het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd, mede vanwege de langdurige uithuisplaatsing en het ontbreken van perspectief op terugkeer. De moeder stelde dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar plaatsing bij familie en dat het rapport van de raad onvolledig en onjuist was. Zij verzocht ook om een contra-expertise op grond van artikel 810a Rv.
Het hof oordeelde dat het appelverbod niet doorbroken kon worden voor het verzoek tot netwerkplaatsing, omdat geen fundamentele schending van rechtsbeginselen was vastgesteld. Ten aanzien van het gezag bevestigde het hof het oordeel van de rechtbank dat de moeder niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn te voorzien in een stabiele opvoedsituatie, terwijl de pleegouders dit wel bieden. Het verzoek tot contra-expertise werd afgewezen omdat een nieuw onderzoek niet in het belang van de minderjarigen is.
De bestreden beschikking van de rechtbank werd daarmee in alle relevante punten bekrachtigd en de moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot netwerkplaatsing.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag en verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot netwerkplaatsing.