Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 februari 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de plaatsing van twee minderjarige kinderen en het beëindigen van het ouderlijk gezag van de moeder. De rechtbank Rotterdam had het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. Tevens wees de rechtbank een verzoek van de moeder tot netwerkplaatsing bij de grootmoeder af.
Het gerechtshof Den Haag verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van de netwerkplaatsing, omdat het hof oordeelde dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv Pro ook voor de beschikking op grond van artikel 1:265d lid 2 BW geldt. De moeder stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat het appelverbod van artikel 807 Rv Pro niet van toepassing is op beschikkingen op grond van artikel 1:265d lid 2 BW. Tegen dergelijke beschikkingen staat volgens de hoofdregel van artikel 358 lid 1 Rv Pro hoger beroep open. Omdat het hof het hoger beroep niet inhoudelijk heeft behandeld, wordt het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.