ECLI:NL:GHDHA:2023:1237
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake box 3-heffing 2016 zonder individuele buitensporige last
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2016 vanwege de box 3-heffing, stellende dat het forfaitaire rendement niet overeenkomt met haar werkelijke rendement en dat dit leidt tot een individuele buitensporige last in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank wees het beroep af omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de box 3-heffing voor haar een individuele en buitensporige last vormde. Het hof bevestigt dit oordeel en verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, die ingrijpen op stelselniveau voor 2016 uitsluit tenzij sprake is van een individuele buitensporige last.
Het hof overweegt dat belanghebbende, gelet op haar financiële situatie, waaronder haar inkomen uit werk en woning, haar vermogen en de ontvangen belastingvrije vergoeding, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een buitensporige last draagt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en belanghebbende kan binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.