In drie civiele procedures bij het gerechtshof Den Haag diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die een tussenarrest hadden gewezen. Dit tussenarrest was op 18 april 2023 uitgesproken en dezelfde dag aan partijen verzonden. Verzoekster stelde dat de wrakingsgronden pas na bestudering van het tussenarrest op 1 mei 2023 bekend werden.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, omdat het verzoek pas ruim twee weken na het tussenarrest werd ingediend, terwijl de inhoud eenvoudig te begrijpen was en verzoekster niet aannemelijk had gemaakt waarom zij bijna twee weken nodig had om het arrest te bestuderen. Hierdoor was verzoekster niet-ontvankelijk.
Daarnaast overwoog de wrakingskamer dat zelf indien het verzoek tijdig was geweest, de aangevoerde wrakingsgronden gericht waren tegen de inhoud van het tussenarrest, en een rechterlijke beslissing op zich nooit een grond voor wraking kan zijn. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel en het oordeel over de juistheid van de beslissing is voorbehouden aan de bevoegde rechter in het rechtsmiddel.
De wrakingskamer besloot daarom het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en wees af van een mondelinge behandeling. De beslissing werd uitgesproken op 19 mei 2023 door de wrakingskamer bestaande uit I. Reijngoud, C.A. Joustra en H.A.J. Kroon.