ECLI:NL:GHDHA:2023:1307

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
200.307.353/02, 200.313.021/02 en 200.319.779/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen raadsheren na tussenarrest

In drie civiele procedures bij het gerechtshof Den Haag diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die een tussenarrest hadden gewezen. Dit tussenarrest was op 18 april 2023 uitgesproken en dezelfde dag aan partijen verzonden. Verzoekster stelde dat de wrakingsgronden pas na bestudering van het tussenarrest op 1 mei 2023 bekend werden.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, omdat het verzoek pas ruim twee weken na het tussenarrest werd ingediend, terwijl de inhoud eenvoudig te begrijpen was en verzoekster niet aannemelijk had gemaakt waarom zij bijna twee weken nodig had om het arrest te bestuderen. Hierdoor was verzoekster niet-ontvankelijk.

Daarnaast overwoog de wrakingskamer dat zelf indien het verzoek tijdig was geweest, de aangevoerde wrakingsgronden gericht waren tegen de inhoud van het tussenarrest, en een rechterlijke beslissing op zich nooit een grond voor wraking kan zijn. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel en het oordeel over de juistheid van de beslissing is voorbehouden aan de bevoegde rechter in het rechtsmiddel.

De wrakingskamer besloot daarom het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en wees af van een mondelinge behandeling. De beslissing werd uitgesproken op 19 mei 2023 door de wrakingskamer bestaande uit I. Reijngoud, C.A. Joustra en H.A.J. Kroon.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn en inhoudelijke gronden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummers : 200.307.353/02, 200.313.021/02 en 200.319.779/02
Zaaknummers hoofdzaak : 200.307.353/01, 200.313.021/01 en 200.319.779/01
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken d.d. 19 mei 2023
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met genoemde zaaknummers van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat mr. D.D.S. Doelam te Den Haag,
hierna te noemen: de verzoekster.

Het geding

1. Bij het hof zijn drie civiele procedures met bovengenoemde zaaknummers aanhangig waarin de verzoekster partij is (hierna: de hoofdzaken).
2. Op 18 april 2023 is in de hoofdzaken een tussenarrest gewezen door mrs. A. Zonneveld, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs. In dit arrest heeft het hof – kort samengevat – partijen bevolen op 16 juni 2023 in persoon, vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen voor de raadsheer-commissaris teneinde een minnelijke regeling te beproeven. Verder is bepaald dat partijen twee weken na de datum van het arrest hun procesdossiers in het geding brengen en dat zij binnen drie weken na de datum van het arrest opgave doen van de agendapunten die moeten worden besproken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3. Op 3 mei 2023 heeft mr. Doelam bij de wrakingskamer van het hof in de hoofdzaken een “Verzoekschrift tot wraking ex artikel 36 Rv Pro” ingediend, strekkende tot wraking van de raadsheren die het tussenarrest hebben gewezen (hierna: het wrakingsverzoek).
4. De wederpartij in de hoofdzaken heeft op 4 mei 2023 per e-mail een reactie op het wrakingsverzoek bij de wrakingskamer ingediend.

De beoordeling van de ontvankelijkheid

5. Op grond van artikel 37 Rv Pro en artikel 1, lid 5, van het wrakingsprotocol van het hof wordt een wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
6. Uit het wrakingsverzoek volgt dat het tussenarrest van 18 april 2023 de aanleiding vormt voor het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek vermeldt dat de wrakingsgronden zijn ontstaan bij het bestuderen van het tussenarrest op 1 mei 2023, waarna het wrakingsverzoek enkele dagen in beraad is genomen.
7. De wrakingskamer stelt vast dat het tussenarrest op 18 april 2023 is uitgesproken en dezelfde dag aan partijen in de hoofdzaken, onder wie verzoekster, is verzonden. Het wrakingsverzoek is na twee weken en een dag bij het hof ingekomen. Aan een verzoeker tot wraking wordt in het algemeen enige bedenktijd gegund voordat een wrakingsverzoek wordt ingediend. Uit de inhoud van het wrakingsverzoek blijkt dat de bedenktijd tussen het bestuderen van het tussenarrest en het indienen van het wrakingsverzoek ongeveer twee dagen in beslag heeft genomen. Dat is naar het oordeel van de wrakingskamer niet onredelijk lang. Door (de advocaat van) de verzoekster is echter niet gemotiveerd en dus niet aannemelijk gemaakt waarom bijna twee weken nodig waren tussen de uitspraak van het tussenarrest en het bestuderen daarvan, temeer nu de inhoud van het tussenarrest eenvoudig te doorgronden is. Dat tijdsverloop is naar het oordeel van de wrakingskamer zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat het wrakingsverzoek is gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoekster bekend zijn geworden, dan wel redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn.
8. Nu aldus meteen duidelijk is dat de verzoekster niet-ontvankelijk is in haar wrakingsverzoek, is afgezien van een mondelinge behandeling.

Overwegingen ten overvloede

9. Ten aanzien van de door de verzoekster aangevoerde wrakingsgronden, overweegt het hof dat deze - ook indien het verzoek tot wraking wel tijdig zou zijn gedaan - niet tot een voor haar gunstige beslissing zouden hebben kunnen leiden, nu de door de verzoekster aangevoerde wrakingsgronden zijn gericht tegen de inhoud van het tussenarrest van 18 april 2023, en een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Beslissing

De wrakingskamer van het hof:
  • verklaart de verzoekster niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de advocaat van de verzoekster, de raadsheren mrs. A. Zonneveld, A.N. Labohm en J.B. Backhuijs, en de wederpartij in de hoofdzaken.
Deze beslissing is gegeven door mrs. I. Reijngoud, C.A. Joustra en H.A.J. Kroon en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2023, in aanwezigheid van de griffier mr. S.N. Keuning.