Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/47464 / HA ZA 14-1101
1.Vereniging Woekerpolis.nl,
1.Aegon Levensverzekering N.V.,
1.De zaak in het kort
unit linkedbeleggingsverzekering.
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaardingen van 15 en 16 september 2017, waarmee de Vereniging in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2017, zoals verbeterd bij vonnis van 13 december 2017 (hierna: het eindvonnis);
- de dagvaarding(en) van 26 september 2017, waarmee (ook) Aegon in hoger beroep is gekomen van het eindvonnis (het hoger beroep door Aegon is aangemerkt als incidenteel appel);
- de memorie van grieven van de Vereniging, tevens akte vermeerdering van eis, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Aegon, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Vereniging, met bijlage;
- de akten van respectievelijk de Vereniging en Aegon die voorafgaande aan de hierna te noemen mondelinge behandeling zijn ingediend.
3.Feitelijke achtergrond
- Beleggingsverzekeringen, aangeboden door Aegon
een levensverzekering waarbij de premie wordt belegd in (een combinatie van) aandelen, obligaties, deposito’s, vastgoed of andere beleggingsvormen en waarbij het risico van beleggen geheel of grotendeels bij de verzekeringnemer ligt. In sommige gevallen wordt een deel van het uit te keren kapitaal gegarandeerd.”
unit linkedverzekering is een beleggingsverzekering waarbij een deel van de premie (de spaarpremie) wordt aangewend ter dekking van het overlijdensrisico en een ander deel wordt belegd om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel in voor rekening van de verzekeringnemer verworven beleggingseenheden (
units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven
units.
unit linkedbeleggingsverzekering betreft de
universal lifebeleggingsverzekering, waarbij de premie voor dekking van het overlijdensrisico maandelijks uit de belegde waarde wordt onttrokken. Bij deze verschijningsvorm van de beleggingsverzekering wordt het risicokapitaal gevormd door het verschil tussen het in de verzekeringsovereenkomst afgesproken overlijdenskapitaal en de daadwerkelijk belegde waarde. Bij overlijden van de verzekerde wordt dit variabele bedrag uitgekeerd, tezamen met de belegde waarde.
unit linkedbeleggingsverzekering. Aegon heeft het FundPlan van 1990 tot 2002 aangeboden aan deelnemers. Ze betalen jaarlijks een premie die wordt geïnvesteerd in een door Aegon beheerd beleggingsfonds naar keuze. Dat kan één fonds zijn, maar ook een combinatie van fondsen. De deelnemer kan gedurende de looptijd wisselen tussen de fondsen. Eenmaal per jaar kan dit gratis. Er is een open einddatum, die naar voren of naar achteren kan worden geschoven. De hoogte van de uitkering direct na overlijden kan bestaan uit de som van de betaalde premies of uit een vast bedrag dan wel een gegarandeerd bedrag, vermeerderd met de eventuele beleggingswinst. Indien de laatste tien jaar is belegd in bepaalde fondsen is (een evenredig deel van) het kapitaal bij leven op de einddatum gegarandeerd.
dat het cruciale manco van de beleggingsverzekeringen in het algemeen, gunstige uitzonderingen daargelaten, de intransparantie voor de consument is geweest.” De geconstateerde onduidelijkheid betrof de hoogte van de risicopremie, kosten die de consument op diens inleg in mindering worden gebracht en de inhoudingen op het rendement van het beleggingsdeel van het verzekeringsproduct. Aan de verzekeraars werd aanbevolen de risicopremie en de kosten van door hen verkochte beleggingsverzekeringen op de in het advies aangegeven wijze alsnog te begrenzen en bij gebleken overschrijding van die grenzen de consumenten te compenseren door teruggave van te veel in rekening gebrachte kosten en deze te doen terugvloeien in het product.
(…) beleggingsverzekeringen, spaarkasovereenkomsten, met één van beide producten gelijkenis vertonende financiële producten, alsmede aan één van de hiervoor genoemde producten verbonden andere financiële producten.”
uit te keren bij in leven zijn van de verzekerde na afloop” als indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg van 10% ƒ 118.100,-, 11% ƒ 135.100,- en 12% ƒ 154.800,-. Op 5 april 2011 heeft [appellant 3] Aegon opdracht gegeven tot afkoop per 1 maart 2011 van zijn VermogensPlanovereenkomst. De afkoopwaarde was € 14.789,98. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Vermogensplan 95.01 van Aegon.
uit te keren bij in leven zijnvan
de verzekerde na afloop” als indicatie bij een gemiddeld rendement op de inleg van 10% ƒ 289.600,-, 11% ƒ 326.200,- en 12% ƒ 367.900,-. Per 1 augustus 2013 is de KoersPlan-overeenkomst geëxpireerd. De beleggingswaarde bedroeg op de einddatum € 53.651,82. Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden 93.01 van Spaarbeleg.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
in principaal en incidenteel appel
FundPlan
- premie voor de overlijdensrisicodekking (voor 1 juli 2002)
- kosten voor de verzekeringsmaatschappij
- kosten voor de bemiddelaar
(zie het petitum in de akte van 23 december 2015 onder X)
- aan en verkoopkosten
- beheerskosten
- afkoopkosten
- wijzigingskosten
- overlijdensrisicopremie (vanaf 1 juli 2002)
- termijnopslag (behoudens de jaren 1994, 1995 en 1996)
(zie het petitum in de akte van 23 december 2015 onder XIV)
- aan- en verkoopkosten (voor 1 januari 2000)
- fondsbeheerkosten (voor het KoersPlan voor 1 juli 2000)
(zie het petitum in de akte van 23 december 2015 onder XXXI en LII)
- de overlijdensrisicopremie (tot 1999)
- kosten voortvloeiende uit de belegging der gelden
- afkoopkosten
(zie het petitum in de akte van 23 december 2015 onder XXXV en LVI)
- aan- en verkoopkosten
- beheerskosten (tot 2002)
- wijzigingskosten (tot 2002)
- termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996)
de hoogteervan, dan is in zoverre sprake van een leemte in de overeenkomst. Deze leemte dient in overeenstemming met de eisen van de redelijkheid en billijkheid naar de destijds geldende maatstaven te worden ingevuld door het bepalen van een redelijke hoogte van de desbetreffende kosten (artikel 6:248 lid 1 BW Pro).
grief 3van de Vereniging slaagt. Ter nadere toelichting wordt nog het volgende overwogen.
de hoogtevan de overlijdensrisicopremie omdat deze in de brutopremie was verwerkt. Het falen van deze klacht duidt evenwel erop dat ook in meer algemene zin het standpunt van Aegon moet worden verworpen dat het bestaan van wilsovereenstemming over de (hoogte van) te betalen kosten en premies bij beleggingsverzekeringen reeds kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de deelnemers hun instemming hebben verleend na kennisname van de voorbeeldproducten waarin op basis van een bepaalde inleg een te verwachten rendement wordt berekend, bij welke berekening rekening is gehouden met bepaalde kosten.
de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten”.
grief 3van de Vereniging klaagt de Vereniging dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het in rekening mogen brengen van een overlijdensrisicopremie bij het FundPlan als overeengekomen kan worden beschouwd en alleen de hoogte van de overlijdensrisicopremie niet is overeengekomen. Van Aegon als een professionele partij mocht worden verwacht dat zij glashelder was in haar contractvoorwaarden. Volgens de Vereniging heeft Aegon in elk geval ten onrechte een premie voor de overlijdensrisicodekking in rekening gebracht tot 2002. Tot die tijd heeft de contractdocumentatie nimmer melding gemaakt van een premieverplichting voor de overlijdensrisicodekking. Pas vanaf 2002 is een financiële bijsluiter meegezonden waarin deze premie wordt genoemd.
grief 3klaagt de Vereniging verder nog over de afwijzing door de rechtbank van haar vordering tot verklaring voor recht dat geen wilsovereenstemming heeft bestaan ter zake van de aan- en verkoopkosten bij het KoersPlan en het VermogensPlan.
kosten voortvloeiend uit de beleggingen der gelden’in rekening zou brengen en dat aan- en verkoopkosten daar redelijkerwijze onder moeten worden begrepen.
grief 3bestrijdt de Vereniging ook dat oordeel.
informatiete verstrekken over de fondsbeheerkosten die door een fondsbeheerder van een bepaald fonds (waarin zou kunnen worden belegd) in rekening zouden worden gebracht ook hier een andere en te onderscheiden vraag betreft. Het verwijt van de Vereniging dat Aegon over de fondsbeheerkosten onvoldoende informatie heeft gegeven zal hierna nog aan de orde komen.
- beheerskosten (tot 2002)
- wijzigingskosten (tot 2002)
- termijnopslag (afgezien van 1995 en 1996)
- de fondsbeheerkosten
grief 10voert de Vereniging verder nog aan – kort gezegd – dat het niet redelijk is indien Aegon wordt toegestaan alsnog kosten in rekening te brengen, voor zover alleen de hoogte van deze kosten niet als overeengekomen kan worden beschouwd en in zoverre sprake is van een leemte. Deze kosten zouden op nihil moeten worden gesteld. Het risico dient hier voor Aegon te zijn.
1. Artikel 2 van Pro clausuleblad 5570;
2. Artikel 6.3 algemene voorwaarden;
3. Artikel 7 algemene Pro voorwaarden.
Na inhouding van een aan- en verkoopmarge wordt op iedere premievervaldag de spaarpremie in de fondsen gestort”
7. PremievrijmakingDe verzekeringnemer kan de verzekering zonder verder premiebetaling voortzetten, indien de verzekering premievrije waarde heeft. De verzekering wordt dan voortgezet voor een verminderd en gelijkblijvend bedrag. Voor de vaststelling van de premievrije waarde wordt uitgegaan van de wiskundige reserve waarbij rekening wordt gehouden met de eerste kosten.Hetgeen uit hoofde van onbetaald gebleven premies en/of belening verschuldigd is, zal worden verrekend.”
1. artikel 7 lid 2 algemene Pro voorwaarden (in de periode 1991-1995);
2. artikel 4, algemene voorwaarden (in de periode 1996-1999); en
3. Artikel 1, algemene voorwaarden.
de hoogtevan deze kosten niet is overeengekomen. In zoverre is sprake van een leemte.
de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “
opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.”
- de wijze en duur van betaling van de premies,
- de wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen,
- inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken.
de toepassing van deze regeling [wordt] beheerst door het burgerlijk recht (…).”
Verzekeraars zijn, evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” Zie TK 1995/1996, nr. 24456 en 23669, nr. 12, p 1617.
Code Rendement en Risico Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling” (hierna: de CRR 1996) vastgesteld, een gedragscode voor informatieverstrekking over onder meer beleggingsverzekeringen.
de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.”
Bij wezenlijke kenmerken van het product wordt, voor zover van toepassing, onder meer gedacht aan de doelstelling van het product, premie en uitkering, informatie te verstrekken door de verzekeringnemer, risicofactoren, (voorbeeld)waarde van de polis aan het einde van de looptijd, informatie over de afkoop- en premievrije waarde en de invloed van kosten en inhoudingen.”
grief 4) is dat op grond van de destijds geldende voorschriften Aegon ‘indirecte transparantie’ niet tot uitgangspunt heeft mogen nemen, maar steeds verplicht is geweest om de verzekeringnemers voor het sluiten van de overeenkomst te informeren over de in rekening te brengen premies en kosten met betrekking tot de voorbeeldproducten, hetgeen door de rechtbank is miskend.
(1) het kunnen hebben van inzicht in de premies en kosten die in rekening werden gebracht was noodzakelijk voor een goed begrip van het product, ook om het product met andere producten te kunnen vergelijken;
(2) de verzekeraars hebben bewust ervoor gekozen om de afnemers niet juist, volledig en goed te informeren; en
(3) belangrijke partijen in het maatschappelijk debat, zoals de overheid, hebben geen goed beeld gehad van hoe de beleggingsverzekeringen en spaarkassen werkelijk in elkaar staken, welke kosten werden ingehouden, hoe groot de invloed van die kosten was op het op te bouwen vermogen en welke risico's de producten kenden (juist ook vanwege de kostenstructuur). Anders dan de rechtbank heeft overwogen kunnen de destijds geldende voorschriften dan ook niet als een weergave van de maatschappelijke opvattingen worden beschouwd.
grief 2klaagt Aegon over het oordeel van de rechtbank dat het bepaalde in artikel 2 lid 2 sub b Riav Pro 1998 – om voor zover de hoogte van de uitkering niet op voorhand kan worden bepaald, de factoren waarvan deze hoogte afhankelijk is nauwkeurig te omschrijven – meebrengt dat Aegon verplicht was om de kosten die zij in rekening bracht te noemen als een factor waarvan de uitkering afhankelijk was.
Aegon diende de kosten dus gedurende de gehele relevante periode te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, door bijvoorbeeld duidelijk te maken dat de gegeven voorbeeldkapitalen nettoresultaten zijn na aftrek van kosten dan wel anderszins duidelijk te maken dat kosten van invloed zijn op het op de einddatum te behalen beleggingsresultaat.”
Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze verplichting naar de toen geldende maatstaven ook het noemen vankostensoorten[gecursiveerd in de tekst van de rechtbank] omvatte, zoals de Vereniging betoogt.”
onzekerefactoren waarvan de uitkering afhankelijk is (zoals het te behalen rendement op de inleg). Die uitleg ligt minder voor de hand, omdat artikel 2 lid 2 sub b Riav Pro 1998 ertoe strekte om – indien geen bedrag kon worden genoemd – te bewerkstelligen dat een omschrijving zou worden gegeven van de uitkering, zodat voor de verzekeringnemer duidelijk zou zijn van welke factoren de (nog onzekere) uitkering afhankelijk zou zijn. Het in dat verband alleen noemen van de onzekere factoren, maar niet ook kosten als factor, zou de verzekeringnemer op het verkeerde been kunnen zetten. Immers, de uitkering was niet alleen afhankelijk van onzekere factoren (het beursklimaat), maar ook van de kosten die in rekening werden gebracht.
Grief 4van Aegon keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat Aegon gedurende de hele relevante periode de hoogte van de overlijdensrisicopremie had dienen te vermelden. Volgens de rechtbank is de overlijdensrisicopremie de premie voor ‘de hoofddekking’ (als bedoeld in artikel 2 lid 2 sub h van Pro de Riav 1994 en Riav 1998). Vóór de inwerkintreding van de Riav 1994 gold deze verplichting ook op grond van het geldende ongeschreven recht, aldus de rechtbank.
Inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken.”
nietverzekerde som. Het rendementsrisico op de inleg is voor de verzekeringnemer. In zoverre valt dan ook niet in te zien dat voor de uitkering bij leven enige ‘dekking’ wordt verleend.
universal life-polissen) had in elk geval kunnen worden vermeld op welke wijze de overlijdensrisicopremie zou worden berekend.
naast de brutopremie in rekening worden gebracht”. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat zij gehouden was de verzekeringnemers te informeren over deze kosten (vanaf inwerkingtreding van de Riav 1998), aldus Aegon. Deze kosten betreffen volgens Aegon bij het Fundplan de aan- en verkoopkosten en de beheerskosten. Bij het KoersPlan en VermogensPlan gaat het om: het administratieloon (begrepen in de beleggingskosten), de aan- en verkoopkosten en de beheerskosten.
indien van toepassing, de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht”?
“de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”.
nietin de voorbeeldkapitalen waren verwerkt uitdrukkelijk moesten worden vermeld. Aegon wordt in dit opzicht gevolgd in haar betoog.
Grief 11van Aegon keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Aegon gedurende de gehele relevante periode ten onrechte geen informatie heeft verstrekt over de hoogte van de ‘beleggingskosten’ (de aan- en verkoopkosten) van het KoersPlan en het VermogensPlan (rov. 2.180 van het eindvonnis).
Grief 12van Aegon richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de omschrijving van de afkoopwaarde in artikel 6.3 van de algemene voorwaarden van FundPlan en de meer concrete beschrijving in de Algemene Voorwaarden nr. 18 en nr. 28 van FundPlan te vaag zijn en naar de destijds geldende maatstaven onvoldoende informatie gaven (rov. 2.189 van het eindvonnis). De daarop voortbouwende oordelen, zoals onder meer in rov. 2.234 van het eindvonnis, zijn derhalve eveneens onjuist, aldus Aegon.
...) dat de verzekeraar, indien hij een opgave van de berekeningswijze geeft, vooraf dient aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen.”
(publiekrechtelijke) regelgeving (die er mede toe strekten de DRL te implementeren) en voorschriften die golden krachtens zelfregulering (de CRR).
universal life). In haar eindvonnis (onder 2.15) heeft de rechtbank gelet daarop geconcludeerd dat het inteer- en hefboomeffect zich bij de voorbeeldproducten niet kan voordoen, welk oordeel in hoger beroep niet is bestreden.
grief 5en
grief 6voert de Vereniging – samengevat weergegeven – aan dat de rechtbank heeft miskend dat op grond van het burgerlijk recht (de redelijkheid en billijkheid en de bijzondere zorgplicht) de verzekeraars steeds gehouden zijn geweest informatie te geven over de kosten en de invloed van de kosten op het rendement bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen.
steedsbestond.
Grief 1van Aegon komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de normen uit de Riav 1994, reeds vanaf 1989 golden omdat in de Riav 1994 is vastgelegd hetgeen reeds op grond van het ongeschreven recht gold. Aegon heeft in hoger beroep ook betwist dit zelf tot uitgangspunt te hebben genomen, zoals de rechtbank overweegt.
Grief 3van Aegon komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat ook reeds vóór de inwerkingtreding van de Riav 1998 gold dat de kosten moesten worden vermeld als een factor waarvan de uitkering afhankelijk was.
grief 13van Aegon geen verdere behandeling meer behoeft.
In grief 7klaagt de Vereniging over dit oordeel. Deze grief slaagt niet.
koersfluctuaties zijn bij aandelen groter, maar gemiddeld geven ze op de langere termijn een hoger rendement.” is niet onjuist of misleidend te achten. Aegon was ook niet gehouden het ‘crashrisico’ specifiek te verwerken in haar (grafische) voorbeelden/grafieken over de mogelijke rendementen.
Grief 8van de Vereniging bevat vier onderdelen. In de eerste plaats keert deze grief zich tegen de overwegingen van de rechtbank over de wijze waarop Aegon de voorbeeldkapitalen heeft berekend in de periode vóór 1997 (onderdeel 1). Daarnaast richt grief 8 zich ook tegen: de berekening van de voorbeeldkapitalen en de daarover gegeven voorlichting over de periode na 1997 (onderdeel 2); het oordeel van de rechtbank over de voorlichting van het productrendement (onderdeel 3) en het oordeel over de wijze waarop de overlijdensrisicopremie en andere factoren de kapitaalsopbouw beïnvloeden (onderdeel 4).
gemiddeldeen hoger
rekenkundig(gemiddeld) rendement moeten worden behaald, dan het gelijkblijvende rendementspercentage aan de hand waarvan het voorbeeldkapitaal is berekend.
grief 11klaagt de Vereniging dat Aegon kan worden verweten onvoldoende voorlichting te hebben gegeven over – en gewaarschuwd te hebben voor – de gevolgen van de kosten en inhoudingen op het rendement.
grief 12klaagt de Vereniging dat Aegon de verzekeringnemers onvoldoende heeft voorgelicht over het spaarkaskarakter bij het KoersPlan en het VermogensPlan. Dit is eerst in hoger beroep aangevoerd. De Vereniging heeft in zoverre haar eis vermeerderd in hoger beroep.
hoogtevan de verschuldigde overlijdensrisicopremie voor het KoersPlan en het VermogensPlan niet als overeengekomen kan worden beschouwd. Geoordeeld is dat in zoverre sprake is van een leemte. Bijgevolg is ook geen sprake geweest van spaarkasverzekeringen met een onredelijk hoge overlijdensrisicopremie. Dit verwijt wordt verder buiten beschouwen gelaten.
Grief 10van Aegon keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat op Aegon een bijzondere zorgplicht rust die vergelijkbaar is met de bancaire zorgplicht, die ertoe strekt de gemiddelde consument te beschermen tegen de gevaren van een gebrek aan inzicht, waaruit o.a. voortvloeit dat Aegon de verzekeringnemer in staat moet stellen weloverwogen te kiezen welke beleggingsverzekering het beste bij zijn behoefte past (rov. 2.92, 2.93, 2.96 van het eindvonnis).
grief 6klaagt Aegon dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat Aegon onrechtmatig heeft gehandeld door niet in alle opzichten te voldoen aan de in 1985 uitgegeven Spaarkasbrochure “Spaarkassparen, dat gaat zo!” (zie rov. 2.87, 2.88 en 2.175 tot en met 2.178 van het eindvonnis).
ofkrachtens het ongeschreven recht (in 1985 en later) de verplichting heeft gegolden de verzekeringnemers te informeren over de onderverdeling tussen de spaarstorting, de overlijdensrisicopremie en de kosten van de verzekeringsmaatschappij, zoals die is weergegeven in Brochure Spaarkassparen. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Mede gelet op de wijze waarop de regelgeving zich (eerst) vanaf 1994 heeft ontwikkeld kan niet aanvaard worden dat reeds vanaf 1985 als norm krachtens ongeschreven recht zonder meer gold dat concrete informatie moest worden gegeven over (de verhouding tussen) de spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die een verzekeraar in rekening brengt.
grief 8van de Vereniging richt zich tegen de overweging van de rechtbank over de berekening van rendementen en de voorlichting via voorbeeldberekeningen in de periode vóór 1997 (eindvonnis onder 2.137-2.140).
fluctuerendrendementspercentage (waarvan vervolgens het rekenkundige gemiddelde had kunnen worden berekend). Zonder een door de Vereniging gegeven nadere toelichting valt niet in te zien op welke wijze Aegon een voorbeeldkapitaal zou hebben kunnen berekenen aan de hand van een jaarlijks fluctuerend rendement, of althans op welke wijze dat tot een resultaat met meer voorspellende waarde zou hebben kunnen leiden. De wijze waarop het rendement over de jaren heen zou fluctueren zou dan immers willekeurig gekozen moeten worden.
grief 8van de Vereniging betoogt zij dat dit oordeel niet juist is. De bijzondere aard van beleggingsverzekeringen brengt mee dat van Aegon wel gevergd kon worden dat zij de verzekeringnemers – ook voor 1997 – zou informeren dat zij rekende met het productrendement, aldus de Vereniging die zich erop beroept dat in de KoersPlan-zaak dit verwijt ook is gehonoreerd.
verklaart voor recht dat Aegon Spaarkas onjuiste en misleidende eindkapitalen vermeldde in de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 door:a. voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden, enb. voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden;”
grief 14van Aegon voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 onvolledig en onjuist zijn doordat, samengevat, hierin (i) voorbeeldkapitalen zijn getoond die door geen enkele maatman gehaald konden worden en (ii) voor de berekening van de getoonde historische rendementen is uitgegaan van een looptijd van 15,5 in plaats van 15 jaar, waardoor in de tabellen over 1983 tot en met 1988 te hoge, door geen enkele maatman te behalen, rendementen werden getoond (rov. 2.150 - 2.152 van het eindvonnis).
grief 8van de Vereniging betoogt verder dat sprake is geweest van misleiding omdat Aegon bij de berekening van haar voorbeeldkapitalen bij het KoersPlan en het VermogensPlan, in ieder geval tot en met 1998, is uitgegaan van één maatman (30 jaar en niet rokend) en deze voorbeeldkapitalen niet zijn afgestemd op de individuele afnemer. De Vereniging verwijt Aegon niet te hebben aangegeven hoe de overlijdensrisicopremie werd vastgesteld, welke factoren van belang waren bij het vaststellen van de premie en hoe de premie de kapitaalsopbouw kon beïnvloeden. Het was voor de potentiële afnemers dus niet duidelijk dat de einduitkering – ook indien het voorgespiegelde rendement wel werd behaald – toch kon afwijken van hetgeen in de brochure was weergegeven, aldus de Vereniging.
Grief 1van de Vereniging klaagt dat de rechtbank een te ruime maatstaf heeft aangelegd door bij de beoordeling van de vraag welke informatie moet worden verstrekt uit te gaan van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument.
grief 14. De Vereniging voert aan dat het niet wenselijk is dat slechts voor drie producten duidelijkheid wordt verkregen en dat het voor haar ondoenlijk is om voor alle producten een vordering in te stellen.
grief 2van de Vereniging. Volgens de Vereniging kunnen de FundPlan-overeenkomsten, ook voor zover deze in een gegarandeerde uitkering voorzien, niet worden aangemerkt als een garantieverzekering.
beleggingeneen zo hoog mogelijk rendement te behalen, waarbij de omvang van de daarvoor in rekening te brengen kosten wel degelijk relevant was. Zo vermeldt een informatiefolder van Aegon over het FundPlan (productie 2d, bij akte van de Vereniging van 23 december 2015, p. 4) onder het kopje Unieke garanties: “
Natuurlijk vormen deze garanties slechts een buffer. De opbrengsten van AEGON Fundplan zullen vaak veel hoger zijn. De hogere opbrengsten komen op de einddatum geheel aan u toe of bij eerder overlijden aan uw nabestaanden.”
grief 9in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat Aegon gehouden is geweest de hoogte van fondsbeheerkosten te vermelden voor de spaarkasproducten. Zij was daartoe gehouden omdat deze fondsbeheerkosten – volgens de Vereniging – kosten betreffen die naast de brutopremie in rekening werden gebracht. Aegon was daartoe ook verplicht volgens de Vereniging op grond van de
grief 16voert de Vereniging aan dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd.
grief 15komen [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] op tegen de afwijzing van hun vorderingen, die ook ten aanzien van de Vereniging zijn afgewezen. De grieven die de Vereniging aanvoert in deze zaak, voeren zij ook aan.
7.Beslissing
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’, en
kosten voortvloeiende uit de beleggingen’, en
Voor zoveruw hof van oordeel is dat voor de overlijdensrisicopremie (tot 2002), de kosten voor de verzekeringsmaatschappij en de kosten voor de bemiddelings- of verzekeringsadviseur een contractuele grondslag aanwezig was, voor recht te verklaren dat de bedingen:
a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, ten aanzien van de voor 1 januari 2000 aangeboden/verkochte producten VermogensPlan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.
b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkasten aanzien van de voor 1 juli 2002 aangeboden/verkochte producten VermogensPlan bij het aanbieden/verkopen van het product VermogensPlan toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;
a. artikel 7 lid 2 AV Pro (tot en met 1995) en/of
b. artikel 4 AV Pro (vanaf 1996) van het VermogensPlan,
op grond van Richtlijn 93/13 en artikel 231 en Pro volgende BW oneerlijke bedingen zijn;
a. artikel 7 lid 2 AV Pro (tot en met 1995) en/of
b. artikel 4 AV Pro (vanaf 1996) van het Vermogensplan,
te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon Spaarkas en de afnemers te verklaren;
a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas, ten aanzien van de voor 1 januari 2000 aangeboden/verkochte producten KoersPlan, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.
a) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door premie voor de overlijdensrisicoverzekering in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;
b) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de verzekeringsmaatschappij in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond.
c) voor recht te verklaren dat Aegon Levensverzekering, toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door kosten voor de bemiddelaar en/of verzekeringsadviseur in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;
van het FundPlan, te vernietigen of nietig te verklaren of buiten toepassing te verklaren of niet bindend tussen Aegon en [appellant 2] te verklaren;
a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was;
b) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;
a) voor recht te verklaren dat Aegon Spaarkas toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door aan- en verkoopkosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag aanwezig was.
b) voor récht te verklaren dat Aegon Spaarkasten toerekenbaar tekort is geschoten en/of onrechtmatig heeft gehandeld door fondsbeheerskosten in te houden zonder dat hiervoor een contractuele grondslag bestond;