Belanghebbende is eigenares van een onroerende zaak bestaande uit een restaurant, kantoor, opslagruimten, terras en parkeerplaatsen. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2021 vast op €1.755.000. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die de waarde verlaagde tot €1.590.000 wegens onvoldoende onderbouwing door de heffingsambtenaar.
De heffingsambtenaar ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar wel degelijk aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, onder meer door het overleggen van een waarderapport, waardeopbouw en bruto kapitalisatiefactor berekeningen van vergelijkingsobjecten. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met de gebruikte waarderingsmethoden en de onderbouwing daarvan.
Het hof verwierp de bezwaren van belanghebbende, waaronder de stelling dat de corona-aftrek niet was onderbouwd en dat de wet van het afnemend grensnut niet was toegepast. Het hof bevestigde dat de waardepeildatum vóór de coronapandemie lag en dat de toegepaste aftrek passend was. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar bevestigd. Het hof zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.