Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/10/620594 / HA ZA 21-529
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 19 juli 2022, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van 29 juni 2021 van de rechtbank Rotterdam;
- de memorie van grieven van [appellante] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Achmea, met bijlagen;
- de bijlagen 40-41 van [appellante] ;
- de bijlagen 40-41 van Achmea.
3.Feiten en procedure bij de rechtbank
“Als verzekerde geheel of gedeeltelijk ophoudt met het daadwerkelijk uitoefenen van het beroep of bedrijf, kunt u de dekking van deze verzekering gedurende maximaal één jaar opschorten. Wij berekenen voor deze opschorting een verlaagde premie (sluimerpremie). De dekking wordt weer van kracht op de dag waarop u of de verzekerde ons meldt dat de verzekerde zijn beroep weer uitoefent. Als de verzekerde na één jaar zijn beroep niet opnieuw uitoefent, kunnen wij de verzekering alsnog beëindigen. Geen dekking bestaat die ontstaat of toeneemt gedurende deze periode van opschorting.”Omdat uw arbeidsovereenkomst van 15 december 2010 een looptijd van twee jaren had, zouden wij op dat moment bij kennis van de ware stand van zaken de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet hebben opgeschort, maar hebben beëindigd.”
- De arbeidsongeschiktheid van [appellante] valt niet onder de dekking omdat – kort gezegd – [appellante] vanaf 2011 geen zelfstandige beroepsbeoefenaar meer was en de polis uitsluitend inkomensverlies dekt als gevolg van schade door arbeidsongeschiktheid die wordt geleden door een zelfstandig beroepsbeoefenaar. Dit leidt tot toewijzing van de vordering van Achmea.
- De door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat de verzekering niet is geëindigd, is niet toewijsbaar omdat in de brief van 14 maart 2016 staat dat de verzekering met onmiddellijke ingang is geëindigd. Op diezelfde grond wordt ook de vordering tot hervatting van de betaling van uitkeringen afgewezen.
- De voorwaardelijk reconventionele vordering tot restitutie van de premies wordt afgewezen op de grond dat de premiebetaling heeft plaatsgevonden op basis van een bestaande verzekeringsovereenkomst.
- De voorwaardelijk reconventionele vordering tot afgifte van negatieve jaaropgaven wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat [appellante] recht heeft op deze jaaropgaven.
4.Beoordeling in hoger beroep
5.Beslissing
- vernietigt het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen van Achmea af;
- veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op 29 juni 2022 begroot op € 1.666,- aan griffierecht en € 4.982,- aan salaris advocaat;
- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
- veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] begroot op € 1.780,- aan griffierecht, € 12.948,- aan salaris voor de advocaat (3 punten, tarief VI) en € 173,- aan nasalaris, te verhogen met € 90,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- bepaalt dat binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 90,-, na de datum van betekening, aan deze kostenveroordeling moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro vanaf het einde van de termijn van veertien dagen tot aan de dag der algehele voldoening.