AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid
Verzoeker diende meerdere klaagschriften in bij het gerechtshof Den Haag en stelde vervolgens voorwaardelijke wrakingsverzoeken in tegen de raadsheren die deze zaken behandelden. Tijdens de zitting op 18 oktober 2023 herhaalde verzoeker zijn wrakingsverzoeken, onder meer vanwege vermeende vooringenomenheid, integriteitsschendingen en onjuiste bejegening.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 SvPro en vaste jurisprudentie, waarbij wordt aangenomen dat raadsheren onpartijdig zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De wrakingsgronden van verzoeker, waaronder de schijn van vooringenomenheid en integriteitsschendingen, werden niet als zwaarwegende aanwijzingen erkend.
Ook werd benadrukt dat wraking niet bedoeld is als middel tegen tussentijdse procesbeslissingen of de motivering daarvan, tenzij deze motivering onomstotelijk wijst op vooringenomenheid. Dit was hier niet het geval. Daarom werd het wrakingsverzoek zonder inhoudelijke behandeling afgewezen.
De beslissing werd op 24 november 2023 genomen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag, bestaande uit de raadsheren A. van Dongen, J.W. Frieling en O.E.M. Leinarts.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer : AV001171-23 Kenmerk beklagzaak (ex art. 12 SvPro) : K22/220155 ([naam]), K22/220206, K22/220564-A ([a]), B ([b]) en C ([c])
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 vanPro het Wetboek van Strafvordering in de beklagzaak met voormeld kenmerk, ingediend door:
[verzoeker],
wonende te [plaats],
hierna te noemen: verzoeker.
Het geding
1. Verzoeker heeft met klaagster [klaagster] en klager [klager] op 18 maart 2022 (K22/220155), 11 april 2022 (K22/220206) en 8 november 2022 (K22/220564) op grond van artikel 12 SvPro telkens een klaagschrift met bijlagen bij dit gerechtshof ingediend.
2. Op 24 augustus 2023 heeft de verzoeker voorwaardelijke wrakingsverzoeken ingediend.
3. Op 18 oktober 2023 heeft de beklagkamer van dit gerechtshof de klaagschriften behandeld in tegenwoordigheid van mr. Th. P.L. Bot, mr. T.E. van der Spoel en mr. P.J. van der Flier. Ter zitting heeft de verzoeker zijn voorwaardelijke wrakingsverzoeken herhaald, onder de voorwaarde dat het hof de beklagzaken niet splitst in vijf zaken, de behandeling ervan niet verwijst naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en/of niet zorgt voor publicatie van eerdere artikel 12 SvPro-beschikkingen. Nadat de voorzitter meedeelde dat het verzoek om verwijzing van de behandeling van de beklagzaken naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch werd afgewezen, is de verzoeker overgegaan tot wraking en heeft hij medegedeeld zijn wrakingsverzoek schriftelijk nader te formuleren.
Het wrakingsverzoek
4. Bij schriftelijk verzoek van 18 oktober 2023 heeft de verzoeker zijn verzoek tot wraking in deze beklagprocedures nader onderbouwd. Het verzoek bestaat uit de volgende wrakingsgronden, kort en zakelijk weergeven:
4.1.
De schijn van vooringenomenheid van de raadsheren, daar een positieve beslissing jegens de verzoeker kennelijk negatieve consequenties zou hebben.
4.2.
Integriteitsschendingen door mr. Bot en mr. Van der Spoel, met dien verstande dat zij beïnvloed worden door de vraag van verzoeker om een integriteitsonderzoek door de Procureur Generaal bij de Hoge Raad naar het handelen van deze raadsheren.
4.3.
Het afwijzen van het verzoek om twee beschikkingen van de rechtbank Den Haag van 13 mei en 8 juli 2015 te publiceren op www.rechtspraak.nl.
4.4.
De vooringenomen bejegening ter terechtzitting van 18 oktober 2023 door mr. Bot, mede door de opmerking “U bent het dus eigenlijk niet eens met de beslissing”.
5. De gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
6. Op grond van artikel 512 vanPro het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de
verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens vaste jurisprudentie geldt deze bevoegdheid ook voor een klager in een artikel 12 SvPro-procedure.
7. Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof het volgende voorop. Volgens vaste jurisprudentie dient een raadsheer uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de gewraakte raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Een wrakingsgrond moet voorts gelegen zijn in feiten of omstandigheden die de persoon van de raadsheer betreffen. Een vermoed gebrek aan onafhankelijkheid van het college waartoe de gewraakte raadsheer behoort, levert dus geen grond op voor wraking.
8. Uit het verzoek en hetgeen uit het proces-verbaal van de zitting volgt, is de wrakingskamer niet van een uitzonderlijke omstandigheid gebleken die een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld oplevert. Het hof overweegt daartoe dat de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden 4.1, 4.2 en 4.3, naar het oordeel van de wrakingskamer geen aanwijzing van vooringenomenheid dan wel schijn van vooringenomenheid opleveren. Naar het oordeel van de wrakingskamer is geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de genoemde raadsheren jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De opmerking van mr. Bot zoals opgenomen in wrakingsgrond 4.4 kan eveneens niet als zodanig gelden.
9. Daarnaast is van belang dat de wettelijke mogelijkheid van wraking niet bedoeld is als een – verkapt – rechtsmiddel tegen (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing noch over een verzuim te beslissen. Wat betreft de motivering van een (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten — bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen — niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is hier geen sprake.
10. Het voorgaande brengt met zich mee dat het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting van de wrakingskamer aanstonds zal worden afgewezen (artikel 4 lid 2 aanhefPro en onder a van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag).
Beslissing
Het hof:
wijst het verzoek om wraking af;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de verzoeker, de gewraakte raadsheren en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 24 november 2023 door mr. A. van Dongen, mr. J.W. Frieling en mr. O.E.M. Leinarts, in aanwezigheid van de griffier mr. K. Roos.