Belanghebbende, een onderneming actief in hypotheek- en kredietbemiddeling en managementdiensten, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2015 en 2016. De Inspecteur stelde dat de volledige contractuele managementvergoeding van €100.000 per jaar belastbaar was, ondanks dat belanghebbende slechts €75.000 per jaar factureerde en ontving. Tevens werden vergrijp- en suppletieboetes opgelegd wegens vermeende grove schuld.
De Rechtbank wees het beroep van belanghebbende af en matigde de boetes vanwege termijnoverschrijding. Belanghebbende ging in hoger beroep en stelde dat de naheffingsaanslag te hoog was omdat het niet gefactureerde bedrag van €50.000 per jaar niet belastbaar was. Het Hof oordeelde dat omzetbelasting verschuldigd is op het gefactureerde bedrag en dat de memoriaalboeking geen factuurvervanging is. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd met €10.500 (21% van €50.000).
Verder vernietigde het Hof de boetes omdat de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden had bewezen die grove schuld aantonen. De boetes waren mede gebaseerd op aansluitingsverschillen zonder nadere onderbouwing. Ook de suppletieboete werd vernietigd, omdat geen suppletie was ingediend en de bewijslast voor grove schuld niet was voldaan.
Het Hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt dat alleen gefactureerde en ontvangen bedragen als maatstaf voor de heffing gelden en benadrukt de strikte bewijsvereisten voor het opleggen van boetes wegens grove schuld.