1.4.Belanghebbende heeft tegen onder andere de hiervoor vermelde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 360. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
- verklaart het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag (SGR 21/4974) ongegrond;
- verklaart de beroepen met betrekkingen tot de teruggaafbeschikkingen mei, juni, november en december 2019 (SGR 21/4975, SGR 21/4976, SGR 21/4983 en SGR 21/4985) ongegrond;
- verklaart de beroepen met betrekking tot de teruggaafbeschikkingen juli tot en met oktober 2019 en december 2019 ontvankelijk (SGR 21/4978, SGR 21/4980, SGR 21/4981, SGR 21/4982 en SGR 21/4985);
- verklaart de beroepen met betrekking tot de teruggaafbeschikkingen juli tot en met oktober 2019 (SGR 21/4978, SGR 21/4980, SGR 21/4981 en SGR 21/4982) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de teruggaafbeschikkingen juli tot en met oktober 2019 (SGR 21/4978, SGR 21/4980, SGR 21/4981 en SGR 21/4982);
- verklaart de bezwaren tegen de teruggaafbeschikkingen juli en augustus 2019 (SGR 21/4978 en SGR 21/4980) ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- draagt verweerder op om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak nieuwe uitspraken op bezwaar te nemen ten aanzien van de teruggaafbeschikkingen september en oktober 2019 (SGR 21/4981 en SGR 21/4982);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.084;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360 aan eiseres te vergoeden.