Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 7 februari 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 november 2021;
- het arrest van dit hof van 12 april 2022, waarin een mondelinge behandeling is gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 juni 2022;
- de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen 1-3;
- de memorie van antwoord van de curator, met bijlagen;
- de akte inbrengen bewijsstukken van [appellant], met bijlagen 36-38;
- de antwoordakte uitlaten van de curator.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank; vorderingen in het hoger beroep
- primair: het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW Pro en een voorschot daarop van € 210.000;
- subsidiair: schadevergoeding ten bedrage van € 318.721 op de grond dat hij zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld ex artikel 2:9 BW Pro, vermeerderd met rente;
- meer subsidiair: schadevergoeding ten bedrage van € 318.721 op de grond dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de gezamenlijke schuldeisers van VRB (artikel 6:162 BW Pro), vermeerderd met rente.
5.Beoordeling in hoger beroep
6.Beslissing
- beveelt partijen in persoon, vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen voor de meervoudige kamer van dit hof voor het hiervoor in 5.7 beschreven doel, in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, op een nader door het hof te bepalen datum en tijd;
- bepaalt dat partijen de hiervoor in 5.7 bedoelde stukken en eventuele andere stukken waarop zij een beroep zouden willen doen, uiterlijk
- verwijst de zaak naar
- houdt iedere verdere beslissing aan.