Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 april 2023
appellant,
hierna te noemen: de man,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
Het geding
kosten draagt;
sui generis, onder meer in de genoemde uitspraak van 28 mei 2019. Dat de zaak die aanleiding gaf voor die uitspraak qua feiten en omstandigheden afwijkt van de onderhavige zaak, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de bruidsgave niet huwelijksvermogensrechtelijk kan worden gekwalificeerd. In zoverre faalt de grief dan ook.
Niet langer geketend aan het huwelijkvan de Universiteit van Maastricht (deel i/ii, oktober 2018, blz. 130-131), waar de man zich in eerste aanleg op heeft beroepen, volgt dat er verschillende mogelijkheden zijn voor de vrouw om in Iran te scheiden, te weten – voor zover van belang – (i) de vrouw roept in Iran de erkenning in van een Nederlandse echtscheidingsbeslissing, of (ii) de vrouw vraagt echtscheiding bij de rechter in Iran op een van de in de huwelijksakte vermelde gronden, zonder dat zij hiervoor afhankelijk is van de medewerking van de man, dan wel (iii) op verzoek van de vrouw verstoot de man de vrouw, al dan niet in ruil voor compensatie door de vrouw. Hieruit volgt dat de compensatie door de vrouw, in de vorm van afstand van haar recht op de bruidsgave, niet in alle gevallen een voorwaarde is voor een echtscheiding in Iran. Anders gezegd, is het denkbaar dat de vrouw ook in Iran een echtscheiding kan krijgen zonder dat zij daarvoor haar recht op de bruidsgave dient prijs te geven.