Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 mei 2019
Het geding
talaqaan de vrouw geeft, waardoor de vrouw zelf de echtscheiding naar islamitisch recht kan bewerkstelligen door het uitspreken van de
talaq, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 500.000,-. Voorts heeft de rechtbank de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 16.000,- te betalen betreffende de bruidsgave. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kosten van de procedure zijn door de rechtbank gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
incidenthet hof bij arrest de tenuitvoerlegging van de veroordelingen van de man in het bestreden vonnis te schorsen totdat onherroepelijk in de hoofdzaak is beslist, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident, althans kosten rechtens.
hoofdzaakvordert de man het hof het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.
talaq, waarbij de echtscheiding tot stand komt op initiatief van de man. Volgens de vrouw behoudt zij in dat geval haar recht op de in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw het initiatief tot echtscheiding heeft genomen, zodat de beëindiging van het huwelijk niet op grond van een
talaqmaar op grond van een
khuldient plaats te vinden. Gevolg hiervan zou zijn dat de vrouw de man financieel dient te compenseren voor zijn bereidheid om aan de religieuze echtscheiding mee te werken, in dit geval door afstand te doen van haar recht op de bruidsgave.
talaq), en voorts dat de man wordt veroordeeld tot afgifte van de in de huwelijksakte overeengekomen twaalf goudstaven alsmede tot betaling van € 7.000,- ter zake van de in de huwelijksakte overeengekomen pelgrimstochten naar Mekka en Karbala.
bruidsschatmaar de
bruidsgave, te weten de door de man aan de vrouw in de huwelijksakte toegezegde geschenken (zie Van der Velden,
Inleiding in de shari’a, Bju 2016, blz. 103). In het vervolg zal het hof dan ook de term
bruidsgavehanteren.
Grief Iziet op rov. 4.2 t/m 4.4 van het bestreden vonnis waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat tussen partijen de echtscheiding naar islamitisch recht reeds is voltrokken, zoals de man heeft gesteld. De grief voert aan dat tussen partijen, in het bijzijn van twee imams en acht getuigen, een mondelinge overeenkomst is bereikt omtrent de echtscheiding naar islamitisch recht, hetgeen zou blijken uit het door de man ter zitting in eerste aanleg overgelegde echtscheidingscertificaat. In de toelichting bij deze grief wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het bewijsaanbod van de man met betrekking tot het echtscheidingscertificaat en het horen van getuigen die kunnen verklaren over de bijeenkomst in de moskee waar de religieuze echtscheiding zou hebben plaatsgevonden.
Grief IIkeert zich tegen rov. 4.5 en 4.8 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank heeft aangenomen dat in de onderhavige situatie sprake kan zijn van een
talaqen dat de vrouw een gerechtvaardigd belang heeft bij haar vordering dat de man wordt veroordeeld om mee te werken aan de beëindiging van het islamitische huwelijk door middel van de
talaq. De man erkent dat een religieuze echtscheiding nodig is, maar stelt dat dit niet dient te geschieden op de wijze die de vrouw vordert (
talaq). Van een verstoting door de man (
talaq) kan volgens de grief geen sprake zijn, omdat het de vrouw is die om echtscheiding heeft gevraagd. De man wenst geen medewerking te verlenen aan de islamitische echtscheiding door middel van de
talaq, omdat dit consequenties heeft voor zijn verplichtingen met betrekking tot de bruidsgave. Volgens de man kan de vrouw de islamitische echtscheiding bewerkstelligen door middel van de
khul.
talaqin de omstandigheden van het onderhavige geval volgens de in rov. 11 genoemde maatstaf een onrechtmatige daad oplevert jegens de vrouw. Daartoe zal het hof de verschillende in het geding zijnde belangen van partijen tegen elkaar afwegen.
talaq). Volgens de man dient de religieuze echtscheiding te worden bewerkstelligd door middel van de
khul, omdat het de vrouw is die het initiatief tot de echtscheiding heeft genomen en de
talaqfinancieel nadelige consequenties zal hebben voor de man. In geval van een
talaqzal de man de bruidsgave moeten betalen aan de vrouw (MvG, nr. 16). Naar het oordeel van het hof heeft de man hiermee een rechtens te respecteren belang aangevoerd.
talaq. Vast staat dat partijen in de huwelijksakte hebben afgesproken dat de vrouw recht heeft op twaalf goudstaven en een pelgrimstocht naar Mekka en Karbala. De man betwist niet dat hij deze verplichting vrijwillig op zich heeft genomen en dat hij deze op zichzelf genomen ook dient na te komen. Het hof stelt vast dat in de huwelijksakte verder geen voorwaarden zijn vermeld met betrekking tot de verschuldigdheid van de overeengekomen bruidsgave. Op grond van de huwelijksakte heeft de vrouw derhalve recht op de overeengekomen bruidsgave.
khulzou worden bewerkstelligd, betekent dit naar islamitisch recht dat de vrouw een financiële vergoeding dient te betalen aan de man. In wezen koopt de vrouw haar religieuze echtscheiding daarmee af (Van der Velden, a.w., blz. 155 en 159). De financiële tegemoetkoming die de vrouw in dat geval verschuldigd is, zou kunnen bestaan uit de afstand die de vrouw doet van haar recht op de overeengekomen bruidsgave. Partijen gaan daar in dit geval kennelijk ook van uit, nu zij het erover eens zijn dat in geval van een
khulde vrouw geen recht heeft op de bruidsgave. Het hof ziet niet in waarom de vrouw afstand zou moeten doen van de haar op grond van de huwelijksakte toekomende bruidsgave teneinde het religieuze huwelijk met de man te kunnen ontbinden. Gelet op het recht van de vrouw op de bruidsgave, zoals blijkend uit de huwelijksakte, weegt het belang van de vrouw bij een islamitische echtscheiding op een wijze waarbij zij haar recht op de bruidsgave behoudt, naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van de man op de beëindiging van het religieuze huwelijk in een vorm waarbij hij zijn verplichting ter zake van de bruidsgave niet behoeft na te komen.
talaq, omdat hij daarmee zijn rechten met betrekking tot de boedelverdeling zou opgeven (MvG, nr. 16), overweegt het hof dat de bruidsgave naar islamitisch recht een geheel eigen karakter heeft waardoor deze niet gelijk te stellen is aan een aanspraak uit hoofde van het huwelijksvermogensrecht (zie Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486). Anders gezegd, valt de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave niet in een eventuele huwelijksgoederengemeenschap die tussen partijen zou bestaan.
talaq), dan ook terecht toegewezen.
talaqaan haar over te dragen opdat zij zelf de echtscheiding naar islamitisch recht kan bewerkstelligen door het uitspreken van de
talaq. Het hof heeft de raadsman voorgehouden dat een overdracht van het recht van de man op
talaqaan de vrouw naar sjiitisch islamitisch recht mogelijk onvoldoende is om een rechtsgeldige islamitische echtscheiding te kunnen bewerkstelligen (Van der Velden, a.w., blz. 154). De raadsman heeft op deze vraag van het hof geen antwoord kunnen geven.
grief IIIvoert de man aan dat de rechtbank in het bestreden vonnis ten onrechte de vorderingen van de vrouw heeft toegewezen en daaraan een dwangsom heeft verbonden voor het geval de man in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.
talaqin het geheel niet wenst mee te werken (vergelijk HR 22 januari 1982, NJ 1982/489). De man kan het verbeuren van de dwangsom zelf voorkomen door zijn medewerking te verlenen aan het beëindigen van het islamitische huwelijk van partijen.