ECLI:NL:GHDHA:2023:614
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging waardebepaling woning voor WOZ-aanslag na hoger beroep
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2020 aanvankelijk door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €353.000. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd de waarde verlaagd naar €301.000. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en vorderde een verdere verlaging naar €265.000.
Het Gerechtshof heeft in hoger beroep de waardematrix van de heffingsambtenaar beoordeeld, waarin systematische vergelijking met drie referentiewoningen is toegepast. Deze vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar en er is rekening gehouden met verschillen in inhoud, ligging, onderhoud en voorzieningen. De ondoelmatige perceelindeling is adequaat verwerkt door een verlaging van de grondwaarde met 15%.
De stellingen van belanghebbende, waaronder de onjuiste foto’s in het taxatieverslag, het achterhouden van de waardematrix en privacyklachten, zijn door het Hof verworpen. Ook het verzoek om de waarde voor 2021 vast te stellen is afgewezen omdat dit buiten de procedure valt.
Het Hof concludeert dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van €301.000 niet te hoog is en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €301.000 wordt bevestigd.