ECLI:NL:GHDHA:2023:941
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep wegens geschil over waardebepaling en hoorplicht
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en aanslagen over 2020, met een waarde vastgesteld op €270.000 voor een tussenwoning uit 1961. De heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten met marktgegevens en hield rekening met verschillen in bouwjaar, inhoud en onderhoudstoestand. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
In hoger beroep oordeelde het Hof dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan met een waardematrix, taxatieverslag en aanvullende gegevens. De verschillen in onderhoud en inhoud waren voldoende verwerkt in de waardering. De stelling dat niet alle stukken waren toegezonden werd verworpen, omdat inzage en mogelijkheid tot afschrift tegen vergoeding voldeden aan de wettelijke eisen. Ook was de hoorplicht niet geschonden, aangezien belanghebbende na toezending van het taxatieverslag geen inhoudelijke reactie gaf.
Het Hof verwierp tevens de klachten over schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het gelijkheidsbeginsel. De waarde van de woning was niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €270.000 bevestigd.