Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:1006

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
200.308.315/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 6 EVRMArt. 4.2 Wrakingsprotocol Gerechtshof Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening na eindarrest

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 30 mei 2023 een eindarrest gewezen in een civiele procedure tussen verzoeker en meerdere verweerders. Op 27 mei 2024 diende verzoeker via het klachtenformulier een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de raadsheren die het eindarrest hadden gewezen.

Verzoeker stelde dat hij ernstig in zijn belangen was geschaad door vermeende partijdigheid en het onthouden van het recht om zijn kant van de zaak toe te lichten. Hij beroept zich op artikel 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces, en verzocht om herbehandeling door een andere samenstelling van rechters.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend, namelijk bijna een jaar na het eindarrest, terwijl artikel 37 Rv Pro bepaalt dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn. Op grond van artikel 4.2 van het Wrakingsprotocol van het hof werd het verzoek zonder behandeling ter zitting niet-ontvankelijk verklaard.

De beslissing is genomen door de meervoudige kamer bestaande uit de raadsheren J.W. van den Hurk, C.J. Verduyn en B. Stapert en uitgesproken op 20 juni 2024 tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening na het eindarrest.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.308.315/02
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 20 juni 2024
inzake de verzoeken tot wraking, als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met rolnummer 200.308.315/01 van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker].

Het geding en de feiten

1.1.
Het hof heeft op 30 mei 2023 eindarrest gewezen in een procedure tussen [verzoeker] als appellant en [… 1] Makelaardij West B.V. h.o.d.n. [… 2] Makelaardij en [… 3] als verweerders.
1.2.
Op 27 mei 2024 heeft [verzoeker] via het klachtenformulier op de website van het hof een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend, welk verzoek door de wrakingskamer van het hof (hierna: de wrakingskamer) op dezelfde dag is ontvangen.

Het wrakingsverzoek

2. [verzoeker] heeft het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:

In onderhavige zaak wraak ik de rechters die deze zaak hebben behandeld.
Zowel tijdens de behandeling als ook met de uitspraak ben ik ernstig in mijn belangen geschaad en wel om de volgende redenen:
1- Tijdens de zitting is mij het recht onthouden mijn kant van de zaak naar behoren toe te lichten,
2- De houding van de rechters heb ik als vooringenomen ervaren en had voor mij alle schijn van partijdigheid, wat te destilleren viel uit de nonchalante houding tijdens de behandeling van deze zaak,

3 - De tegenpartij heeft op alle vlakken stelselmatig mijn rechten geschaad, evident te concluderen uit de navenant laag getaxeerde waarden van mijn bezit c.q. vastgoed,

4 - Ondanks mijn verzoek om aandacht voor bovengenoemde punten, negeerden de rechters mij pertinent.

5 - De tegenpartij is wel in de gelegenheid gesteld om antwoorden te geven op vragen terwijl mij alleen is gevraagd hoe het met mij gaat.

6- Een melding van het schenden van mijn recht is gedaan bij het College voor de Rechten van de Mens.

Juridische grondslag
Artikel 6 EVRM Pro, het recht op een eerlijk proces is mij in deze onthouden.
Ik verzoek u mijn zaak opnieuw in behandeling te nemen en dan, onder de aandacht van een andere samenstelling van rechters, de omstreden groep uitsluiten.
Ik voeg mij in dit proces als slachtoffer en vraag om de veroordeling in
de proceskosten.”

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

3.1.
Volgens artikel 36 Rv Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Artikel 37 Rv Pro bepaalt:

1. Het verzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden;
2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een zitting kan het ook mondeling geschieden;
3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen;
(…).
3.2.
Een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 27 mei 2024 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is bijna één jaar nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek te laat is gedaan. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
3.3.
Artikel 4.2 aanhef en onder e, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag bepaalt dat indien het verzoek tot wraking is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak
einduitspraak is gedaan, de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds niet-ontvankelijk kan verklaren. Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding gezien het wrakingsverzoek ter zitting te behandelen en wordt de niet-ontvankelijkverklaring aanstonds uitgesproken.

De beslissing

Het hof:
  • verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker] en aan de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek is gericht en aan de overige betrokkenen in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van den Hurk, C.J. Verduyn en B. Stapert en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2024, in aanwezigheid van de griffier.