De werkneemster vorderde achterstallig loon van ESBV, die betwistte haar werkgever te zijn. Het hof oordeelde dat ESBV ondanks de verwarring en het betwisten van het werkgeverschap, als werkgever moet worden aangemerkt. ESBV had onvoldoende onderzoek gedaan naar de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkneemster en had de overeenkomst stilzwijgend verlengd tot 20 april 2020.
De werkneemster had recht op loon conform de cao voor de Glastuinbouw, ook over de periode vóór 1 februari 2018, omdat ESBV geen aantoonbare inspanning had geleverd om de juiste inlenersbeloning vast te stellen. ESBV werd veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, en gecorrigeerde loonstroken en jaaropgaven.
Daarnaast werd ESBV veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €10.000 wegens misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen, omdat zij onnodige verwarring had gecreëerd over het werkgeverschap, wat leidde tot extra kosten voor de werkneemster. Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis en formuleerde het arrest opnieuw, waarbij ESBV ook werd veroordeeld in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.