ECLI:NL:GHDHA:2024:119

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
BK-22/1336
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting door Gerechtshof Den Haag

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van €67,30, bestaande uit parkeerbelasting en kosten voor het opleggen van de aanslag. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Den Haag. De rechtbank wees het beroep af. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.

Tijdens de mondelinge behandeling was belanghebbende en haar gemachtigde niet aanwezig, maar de vertegenwoordiger van de Heffingsambtenaar wel. Het hof stelde vast dat er gebreken in het dossier aanwezig waren die aanleiding gaven de naheffingsaanslag te vernietigen. Hierdoor werd het hoger beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd.

Daarnaast veroordeelde het hof de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten van €1.030 en het betaalde griffierecht van €186. De uitspraak is op 23 januari 2024 in het openbaar uitgesproken en partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt vernietigd en de Heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/1336

Uitspraak van 23 januari 2024

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.J.J.G. Fernandes)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 17 november 2022, nummer SGR 22/307.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van € 67,30, bestaande uit € 2 parkeerbelasting en € 65,30 kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk, gedagtekend 1 december 2023, ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 december 2023. Belanghebbende en haar gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Namens de Heffingsambtenaar is diens vertegenwoordiger verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Aan belanghebbende is de naheffingsaanslag opgelegd ter zake van het parkeren van de auto met kenteken [kenteken] (de auto) op vrijdag 22 januari 2021 omstreeks 11:05 uur ter hoogte van [adres] te [woonplaats] . Deze locatie is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning kan worden geparkeerd. Volgens de Heffingsambtenaar was op voornoemde datum en genoemd tijdstip voor de auto geen parkeerbelasting voldaan en was evenmin sprake van parkeren met een geldige parkeervergunning.

Beoordeling van het hoger beroep

3.1.
De Heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat vanwege de in het dossier aanwezige gebreken, er aanleiding bestaat de naheffingsaanslag te vernietigen. Het Hof zal dit standpunt volgen en daarom de naheffingsaanslag vernietigen.
3.2.
De door belanghebbende aangevoerde gronden behoeven daarom geen behandeling meer.
3.3.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

4.1.
Gelet op het in 3.1 overwogene, veroordeelt het Hof de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, conform artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.030 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 310 en een wegingsfactor 0,5; beroep: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt € 875 en een wegingsfactor 0,5; hoger beroep: 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, waarde per punt € 875 en een wegingsfactor 0,5).
4.2.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag;
  • veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.030; en
  • gelast de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier A.T.J. Schnitzeler. De beslissing is op 23 januari 2024 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.