ECLI:NL:GHDHA:2024:127
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag BPM wegens niet aannemelijk maken herstel essentiële schade auto
Belanghebbende diende een aangifte BPM in voor een gebruikte Mercedes-Benz met een waardevermindering wegens schadeverleden. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op, omdat volgens hem de auto ten tijde van de aangifte nog essentiële gebreken vertoonde, waardoor geen waardevermindering kon worden toegepast.
De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en wees op de bewijslast die rust op belanghebbende om aannemelijk te maken dat de auto op het moment van aangifte geen essentiële gebreken meer had. Belanghebbende slaagde hier niet in, mede omdat het herstel van de schade niet was onderbouwd met concrete gegevens of facturen.
In hoger beroep bevestigde het Gerechtshof dit oordeel. Het hof stelde vast dat de auto op het moment van aangifte nog een WOK-status had en dat belanghebbende onvoldoende feiten had aangevoerd om dit te weerleggen. De naheffingsaanslag werd daarmee terecht opgelegd. Het hof wees een proceskostenvergoeding in hoger beroep af.
De uitspraak is gedaan door H.A.J. Kroon op 9 januari 2024 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Hoge Raad. De zaak betreft de toepassing van artikel 10 van Pro de Wet BPM en de voorwaarden voor waardevermindering wegens schadeverleden.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag BPM omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto ten tijde van de aangifte geen essentiële gebreken vertoonde.