De werknemer was in dienst bij een hoveniersbedrijf en vorderde na het einde van zijn dienstverband een nabetaling van reiskosten en een vergoeding voor werkkleding op grond van de toepasselijke cao. De werkgever betwistte deze vorderingen en stelde dat de werknemer niet recht had op een hogere reiskostenvergoeding dan de 96 kilometer tussen het adres van de vriendin van de werknemer en het bedrijf, en dat werkkleding wel was aangeboden maar niet werd gedragen.
De kantonrechter wees de vorderingen af en het hoger beroep richtte zich op het betwisten van het woonadres van de werknemer en het al dan niet verstrekken van werkkleding. Het hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende specifiek bewijs aanbood om zijn stellingen te onderbouwen en liet het bewijsaanbod niet toe. Ook zag het hof geen aanleiding om ambtshalve bewijs op te dragen.
Het hof concludeerde dat de afspraak over de reiskostenvergoeding niet vaststond en dat de vergoeding van 96 kilometer tussen Nieuwegein en Capelle aan den IJssel als uitgangspunt diende. De stelling dat werkkleding niet werd verstrekt werd eveneens betwist en onvoldoende bewezen. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.