ECLI:NL:GHDHA:2024:1506
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingrente navorderingsaanslag 2012 en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende kreeg in 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd over 2012, inclusief belastingrente. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de Inspecteur onzorgvuldig was door belastingrente te berekenen over een periode waarin de fiscale gevolgen al duidelijk waren.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of belastingrente na 24 augustus 2017 dan wel 8 december 2017 nog terecht in rekening mocht worden gebracht. De Inspecteur stelde dat de complexiteit van de zaak en de communicatie over fiscale gevolgen en een mogelijk compromis rechtvaardigden dat de navorderingsaanslag pas in januari 2019 werd opgelegd.
Het Gerechtshof oordeelde dat de Inspecteur niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De belastingrente was correct berekend volgens de wet en het zorgvuldigheidsbeginsel was niet geschonden. De brief van 3 maart 2020, waarin de renteperiode werd toegelicht, was een op de zaak betrekking hebbend stuk, maar het niet overleggen ervan deed niet af aan de rechtmatigheid van de berekening.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.