Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 26 oktober 2022, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 juli 2022;
- de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van Aegon, met bijlagen;
- de akte houdende uitlating met bijlage van [appellant] ;
- de antwoordakte van Aegon.
3.Feitelijke achtergrond
2.Dekking
4.Schade
5.Premie
(…)
8.Wijzigingen
(…)
9.Duur en einde van de verzekering
(…)
“dit is geen nieuwe melding a.o., maar een verhoging van a.o %”.[appellant] gaf wederom aan long- en vermoeidheidsklachten te ervaren waardoor hij 100% arbeidsongeschikt zou zijn voor zijn werkzaamheden in de ambulante kaashandel (hierna ook: arbeidsongeschiktheidsmelding 2). Voor deze klachten van [appellant] kon niet direct een medisch objectiveerbare aandoening vastgesteld worden. Dit heeft geleid tot vervolgonderzoeken en correspondentie tussen partijen. Pas begin 2017 is een diagnose voor [appellant] ’s klachten vastgesteld (zogeheten cheese handler’s disease).
). Met betrekking tot de in de aangiften IB vermelde winst gaf de heer [boekhouder] aan dat er in dat geval altijd bijbehorende winst-en-verliesrekeningen bestaan. Desgevraagd gaf de heer [boekhouder] aan dat de winst-en-verliesrekeningen vanaf 2006 nog zijn bewaard, van dáárvoor bestaan misschien nog digitale versies. Het is de heer [boekhouder] niet bekend dat winst die in de aangiften IB op naam van betrokkene is opgevoerd in werkelijkheid door zijn echtgenote zou zijn gerealiseerd. Met betrekking tot de zelfstandigenaftrek gaf de heer [boekhouder] aan dat dit altijd de opgave van de ondernemer zelf betreft. Betrokkene heeft de Peugeot Partner waarvan in de jaarstukken van 2016 sprake is in december 2012 tweedehands gekocht.
4.BESCHOUWING
(…)
5.BEANTWOORDING VRAAGSTELLING
voerde, heeft hij opnieuw openheid van zaken gegeven en - zoals inmiddels ook juist was - de heer [naam 2] verteld dat door hem nog één winkeltje werd geëxploiteerd en dat hij daarin zelf (nagenoeg) geen werkzaamheden verrichte. Dat was feitelijk ook niet mogelijk, gelet op de beperkte openstelling (8 uren per week) en de inzet van derden (…) Ook uit het gesprek met de heer [naam 2] komt naar voren dat de heer [appellant] al sinds 2007 was gestopt met de ambulante kaashandel (…). Ook heeft de heer [appellant] de heer [naam 2] aangegeven dat de activiteiten in de servicewinkel wel via zijn bedrijf (" [bedrijfsnaam] ") lopen. De meest praktische reden daarvoor was het feit dat dit stond ingeschreven in de Kamer van Koophandel.
4.Procedure bij de rechtbank
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
- alle inlichtingen die de verzekeraar, dan wel de door hem aangewezen deskundigen nodig achten,
- voor zover nodig voor de vaststelling van zijn uitkeringsplicht.
“in principe”ook niet dat sprake is van een sommenverzekering (CvA 1.19), maar wijst erop dat voor het berekenen van de som van belang is welke werkzaamheden [appellant] nog verricht in zijn eigen bedrijf en/of sprake is van een taakverschuiving (artikel 1.7.1 jo 2.1.2 van de polisvoorwaarden). Dat sprake is van een sommenverzekering laat volgens haar dus onverlet dat [appellant] (conform artikel 4.2 van de polisvoorwaarden), Aegon had moeten informeren over zijn werkzaamheden in zijn winkels aldus Aegon.
“in principe”. Het hof begrijpt dat zij hiermee doelt op haar uitleg van het bepaalde in artikel 2.1 van de polisvoorwaarden. Volgens Aegon moet eerst sprake zijn van inkomensderving alvorens er een recht bestaat op uitkering onder de AOV. Daarop zou de door Heling & Partners gestelde vraag over inkomensderving zien. Het hof kan Aegon hier niet volgen en overweegt hiertoe als volgt.
bij arbeidsongeschiktheidsmelding 2 (december 2007)
bij arbeidsongeschiktheidsmeldingen 3 en 4 (2016-2017)
na het inschakelen van Heling & Partners in 2017
“Uiteraard laat zich wel ook vaststellen dat de opgaven van [appellant] – in ieder geval de opgaven zoals die door deze en gene zijn opgetekend – wisselend zijn geweest en niet altijd consequent”(MvG nr. 29).
.
7.Beslissing
- veroordeelt Aegon in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op € 7.734,18, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Aegon deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
- bepaalt dat als Aegon niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, Aegon de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Aegon deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;