Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 17 juli 2024
Stichting [X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
€ 16.511.658.
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, enig-eigenaar van meer dan 50 huurwoningen, stelde dat de verhuurderheffing over 2019 onrechtmatig was omdat mede-eigenaren niet in de heffing werden betrokken, wat volgens haar het gelijkheidsbeginsel schond. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De discussie draaide om de toepassing van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw) en de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2018, waarin werd geoordeeld dat mede-eigenaren niet allemaal als belastingplichtigen konden worden aangemerkt vanwege de wijze van bekendmaking van WOZ-beschikkingen. Dit leidde tot ongelijke behandeling tussen enig-eigenaren en mede-eigenaren.
Het Hof oordeelde dat enig-eigenaren en mede-eigenaren niet feitelijk en rechtens gelijk zijn en dat de ongelijke behandeling voortvloeit uit het arrest van de Hoge Raad en het gemeentelijke beleid rond WOZ-bekendmaking. Hoewel dit resulteerde in een onevenredige ongelijke behandeling, is deze gerechtvaardigd door de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een andere regeling.
De stelling dat de Belastingdienst begunstigend beleid voerde door mede-eigenaren niet in de heffing te betrekken werd verworpen, omdat de Belastingdienst geen beleidsruimte had om het arrest te negeren. Het verzoek om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en partijen werden niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.