Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2018:847

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
6 juni 2018
Zaaknummer
16/04100
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 WvhArt. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 1 Twaalfde Protocol EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over verhuurderheffing bij mede-eigendom en schendt gelijkheidsbeginsel

Belanghebbende was samen met twee compagnons eigenaar van twintig huurwoningen en had voor het jaar 2013 verhuurderheffing betaald. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende deze heffing verschuldigd was, waarbij het Hof dit bevestigde. In cassatie stelde belanghebbende dat de toepassing van de verhuurderheffing bij mede-eigendom in strijd was met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en oordeelde dat het in aanmerking nemen van de huurwoning bij de genothebbende die de WOZ-beschikking ontvangt, in geval van mede-eigendom, inderdaad in strijd is met het verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. Daarom werd het beroep in cassatie gegrond verklaard en de uitspraak van het Hof en de Rechtbank vernietigd.

De Hoge Raad gelastte de teruggaaf van het door belanghebbende betaalde bedrag aan verhuurderheffing van €193 en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur tot vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand. Hiermee werd een belangrijke rechtsregel bevestigd over de toepassing van de Wet verhuurderheffing in situaties van mede-eigendom.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt eerdere uitspraken en gelast teruggaaf van betaalde verhuurderheffing wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Uitspraak

8 juni 2018
nr. 16/04100
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 30 juni 2016, nr. 15/00591, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/3789) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan verhuurderheffing. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 december 2016 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1426).
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende was op 1 januari 2013 samen met twee compagnons eigenaar van twintig huurwoningen (hierna: de huurwoningen) in de zin van de Wet verhuurderheffing (hierna: Wvh). De beschikkingen bedoeld in artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-beschikkingen) ter zake van de huurwoningen zijn alle aan belanghebbende bekendgemaakt.
2.1.2.
Voor het jaar 2013 heeft belanghebbende ter zake van de huurwoningen op aangifte een bedrag van € 193 aan verhuurderheffing voldaan.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende verhuurderheffing is verschuldigd. Het Hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord.
2.3.
Voor zover de eerste drie middelen opkomen tegen het hiervoor in 2.2 vermelde oordeel van het Hof, slagen zij op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 16/04098 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. De middelen voor het overige behoeven geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door aan belanghebbende een teruggaaf te verlenen van het door hem op aangifte voldane bedrag aan verhuurderheffing.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,
verleent een teruggaaf ten bedrage van € 193,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 123 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 45,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1879 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 752 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 353 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, J. Wortel, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.