Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) over een Ferrari 458 Italia. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de Rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag.
Belangrijke geschilpunten waren de bevoegdheid van nationale rechters om het Unierecht uit te leggen zonder het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, de rechtmatigheid van het vooraf heffen van griffierecht, het ontbreken van een integrale proceskostenvergoeding en de vraag of sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.
Het Hof overweegt dat het Unierecht als autonome hoogste rechtsorde nationale rechters verplicht het nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen. Het Hof is niet verplicht prejudiciële vragen te stellen en ziet geen aanleiding dit te doen. Het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht, mede gelet op het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel en eerdere jurisprudentie van het HvJ EU. Belanghebbende heeft geen beroep gedaan op betalingsonmacht.
Het Hof wijst het hoger beroep af, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en ziet geen reden tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. De redelijke termijn is niet overschreden, zodat ook geen schadevergoeding wordt toegekend.