In deze bestuursrechtelijke zaak op het gebied van belastingrecht heeft het Gerechtshof Den Haag op 20 augustus 2024 een hersteluitspraak gedaan ter verbetering van de uitspraak van 10 juli 2024. Belanghebbende had het hof gewezen op een omissie in het dictum, waarbij een reeds toegekende vergoeding van immateriële schade niet was vermeld.
Het hof heeft vastgesteld dat onder de rechtsoverwegingen 5.3 tot en met 5.13 de Heffingsambtenaar veroordeeld is tot vergoeding van immateriële schade van €500, maar dat dit abusievelijk niet in het dictum was opgenomen. Gezien het een kennelijke fout betreft, is deze hersteluitspraak passend.
De hersteluitspraak bevestigt de eerdere uitspraak, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze geen beslissing nam over de immateriële schadevergoeding, en veroordeelt de Heffingsambtenaar tot betaling van €500 immateriële schade, proceskosten van €218,75 en restitutie van het griffierecht van €136.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag en is in het openbaar uitgesproken. Een afschrift is digitaal en per post verzonden aan partijen.