ECLI:NL:GHDHA:2024:1780
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vergoeding immateriële schade wegens redelijke termijn overschrijding in parkeerbelastingzaak
Belanghebbende, als feitelijk parkeerder, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan de kentekenhouder voor parkeren zonder betaling op 30 januari 2021. De Heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Rotterdam. De rechtbank wees het beroep af en wees ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de redelijke termijn pas eindigt bij ontvangst van de uitspraak, maar het Hof oordeelde dat de termijn eindigt op het moment van uitspraak door de rechtbank. De termijn van twee jaar was niet overschreden, omdat het bezwaarschrift op 30 maart 2021 werd ontvangen en de uitspraak op 27 maart 2023 werd gedaan.
Het Hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De zaak betreft de uitleg van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsprocedures en bevestigt de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad over het aanvangs- en eindmoment van deze termijn.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat geen vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekomt.