ECLI:NL:GHDHA:2024:1958
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- R.A. Bosman
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- S.E. Postema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1921 te Rotterdam. De WOZ-waarde van de woning werd voor 2017 vastgesteld op €824.000, waartegen bezwaar en beroep werd ingesteld. De Rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, stelde de WOZ-waarde niet bij en kende een immateriële schadevergoeding van €450 toe.
In hoger beroep bereikten partijen een compromis over de WOZ-waarde van €740.000 en de proceskostenvergoeding van €3.561. Het geschil betrof alleen de hoogte van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim 4,5 jaar, volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase.
Het Hof oordeelde dat op grond van recente jurisprudentie van de Hoge Raad een uitgangspunt geldt van €500 per half jaar overschrijding, tenzij bijzondere omstandigheden ontbreken. De Rechtbank had het tarief gematigd tot €50 per half jaar, wat het Hof niet kon volgen. Het Hof veroordeelde de Heffingsambtenaar tot een vergoeding van €4.500 aan immateriële schade en tot vergoeding van griffierechten en proceskosten. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: Het Gerechtshof stelt de WOZ-waarde vast op €740.000 en veroordeelt de Heffingsambtenaar tot een immateriële schadevergoeding van €4.500.