Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Den Haag, inclusief aanmaningskosten. Na niet-betaling werd hij aangemaand en werden aanmaningskosten in rekening gebracht. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze kosten, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde de proceskostenvergoeding vast op €150, met verwijzing naar bijzondere omstandigheden.
In hoger beroep is de proceskostenvergoeding betwist. Het Hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte bijzondere omstandigheden toepaste om de vergoeding te beperken. Het Hof weegt het geringe financiële belang en het gebruik van standaardteksten mee, maar acht deze geen bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het Hof vernietigt het deel van het vonnis over proceskostenvergoeding, veroordeelt de Invorderingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten van €1.031 en het griffierecht van €136 aan belanghebbende. De uitspraak is op 6 november 2024 openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Den Haag.