ECLI:NL:GHDHA:2024:2246
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn WOZ-procedure
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van onroerende zaken en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde maar het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees. De rechtbank vond dat belanghebbende geen persoonlijke spanning en frustratie had omdat de vergoeding daarvan bij voorbaat was overgedragen aan de gemachtigde.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat deze overdracht niet in de weg staat aan het recht op vergoeding van immateriële schade. Het hof volgde deze lijn en oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het verzoek had afgewezen. De overschrijding van de redelijke termijn bedroeg bijna zeven maanden, waarvoor een vergoeding van €1.000 passend werd geacht, verdeeld over bezwaar- en beroepsfase.
Het hof veroordeelde de Heffingsambtenaar tot betaling van €285 en de Minister tot €715 aan belanghebbende. Daarnaast werd de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €218,75 en het griffierecht van €136. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het de immateriële schade betreft.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en belanghebbende krijgt vergoeding van immateriële schade en proceskosten toegekend.