Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 oktober 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,
Procesverloop
Gegevensverstrekking bezwaarfase
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1920 en maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €376.000 voor het jaar 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op basis van een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten. Belanghebbende stelde dat niet alle gevraagde gegevens waren verstrekt, waardoor artikel 40, lid 2, Wet WOZ zou zijn geschonden.
De Rechtbank oordeelde dat de verstrekte gegevens, waaronder KOUDV- en liggingsfactoren, grondstaffels en een toelichting op de indexering, voldoende waren om de waarde te beoordelen en dat waarderen geen exacte wetenschap is. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep, stellende dat aanvullende gegevens ontbraken en dat de waarde te hoog was vastgesteld.
Het Hof onderschreef het oordeel van de Rechtbank en overwoog dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ alleen ziet op gegevens die ten grondslag liggen aan de waarde en niet op de cijfermatige invloed van factoren. Het Hof vond de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar en de gehanteerde methodiek en indexering inzichtelijk. De keuze voor de transportdatum in plaats van de koopdatum bij indexering leidt in een stijgende markt niet tot een te hoge waarde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het Hof kwam niet toe aan de toepassing van artikel 30a, lid 4 en 5, Wet WOZ. De uitspraak werd op 23 oktober 2024 in het openbaar uitgesproken door rechter I. Reijngoud.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van € 376.000 is bevestigd.