Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 21 september 2023
[X] te [Z] , belanghebbende,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
WOZ-waarde
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande recreatiewoning waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2020 is vastgesteld op €467.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslagen is bezwaar gemaakt, dat ongegrond werd verklaard. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende eveneens ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat de heffingsambtenaar diverse beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de hoorplicht en toezendplicht, had geschonden.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, onder meer door vergelijking met voldoende vergelijkbare woningen en een onderbouwde waarderingsmethode. De door belanghebbende aangevoerde punten, zoals de waardering van de voorraadkelder en de inhoud van de woning, konden het oordeel niet wijzigen.
Verder oordeelde het Hof dat de hoorplicht niet is geschonden omdat belanghebbende na toezending van het taxatieverslag geen concrete nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die een nieuw hoorgesprek rechtvaardigen. De toezendplicht is slechts beperkt geschonden doordat niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt, maar dit leidde niet tot een proceskostenvergoeding omdat belanghebbende geen inhoudelijke gronden heeft ingebracht.
Het verzoek van belanghebbende om tijdens de zitting de waarderingsmatrix in te zien werd terecht afgewezen omdat deze reeds tijdig was toegezonden. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €467.000 blijft gehandhaafd.