Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 10 december 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Jaarverslag 2016
Jaarverslag 2017
Jaarverslag 2018
Jaarverslag 2019
Jaarverslag 2020
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een woningcorporatie, heeft voor de jaren 2016 tot en met 2022 verhuurderheffing betaald en betwist dat deze heffing in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, al dan niet in samenhang met artikel 14 EVRM Pro. De Rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, en het Gerechtshof bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
Het Hof overweegt dat de verhuurderheffing een generieke belastingmaatregel is met een legitiem algemeen belang, namelijk het genereren van inkomsten en het bevorderen van een goed functionerende woningmarkt. De wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge bij de keuze van middelen en heeft rekening gehouden met uitvoeringsaspecten en effecten op de sector. De WOZ-waarde als heffingsgrondslag is passend en niet disproportioneel.
Op individueel niveau is geen sprake van een buitensporige last omdat belanghebbende geen bijzondere feiten heeft aangetoond die haar financieel zwaarder treffen dan andere verhuurders. De financiële gegevens tonen overwegend positieve operationele resultaten en kasstromen, en toezichthouders zoals de Autoriteit woningcorporaties en het Waarborgfonds Sociale Woningbouw hebben geen aanleiding tot bezwaren. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.